Subhumaan bestaan

India laat zien dat de armoede in een moderne economie niet hoeft te verminderen. Dat zegt socioloog Jan Breman. Ellie Smolenaars

Geverfd garen hangt te drogen bij een textielmolen in Agartala, hoofdstad van de Indiase staat Tripura. foto Reuters A worker hangs dyed yarn to dry at a textile mill on the outskirts of Agartala, capital of India's northeastern state of Tripura April 19, 2008. REUTERS/Jayanta Dey (INDIA)
Geverfd garen hangt te drogen bij een textielmolen in Agartala, hoofdstad van de Indiase staat Tripura. foto Reuters A worker hangs dyed yarn to dry at a textile mill on the outskirts of Agartala, capital of India's northeastern state of Tripura April 19, 2008. REUTERS/Jayanta Dey (INDIA) REUTERS

Arbeidsnomaden op suikerrietplantages, textielarbeiders achter machines in kale loodsen en zwoegende riksja-fietsers. Het India van Jan Breman is het India van de bezitloze klasse. ‘Loonjagers en verzamelaars’ noemt de Nederlandse niet-westerse socioloog hen, en dat is ook de titel van een van zijn boeken, onlangs in herdruk verschenen in de vuistdikke The Jan Breman Omnibus.

Met bijna vijftig jaar veldwerk documenteert Breman de razendsnelle overgang van plattelandssamenleving naar verstedelijkte wereldeconomie. India biedt de slechtst denkbare combinatie van een rigide kastenstelsel met marktfundamentalisme, is zijn conclusie. Zijn eerste kennismaking met de landlozen in India in de jaren zestig omschreef hij als een ‘brutal shock’. Hij sprak van ‘subhumaan bestaan’; de suikerrietkappers zelf vonden dat de honden beter werden behandeld dan zijzelf.

India is een groei-economie, maar Breman legt achteruitgang vast. De textielproductie moest goedkoper, fabrieken werden gesloten, informele werkplaatsen geopend, vakbonden nog door Mahatma Gandhi opgericht werden afgeschaft en sociale rechten gingen verloren. Een renaissance van het sociaal-darwinisme, observeert Breman. Hij bekritiseert dan ook Wereldbank-scenario’s waarin de informele sector als oplossing fungeert. De Indiase sociologe Sujata Patel noemt zijn werk ‘een etnografie van de werkende armen in India’. Jan Breman is sinds 2001 emeritus aan de Universiteit van Amsterdam.

U heeft veel veldwerk gedaan, in South Gujarat in India en op Java in Indonesië, en daarmee een halve eeuw mondialisering onderzocht. Met een voorkeur voor lelijke gebieden, voor de Hollandse polders in de tropen, zoals u het zelf noemt. Waarom?

“Nou, Hollandse polders kunnen erg mooi zijn hoor. Maar de gebieden waar ik kom zijn inderdaad landschappelijk niet imposant. Het zijn poldergebieden, alleen is het warmer, en er is meer ongerief. Ik wilde niet bezwijken voor exotisme. Ik probeer de gebieden waar ik geweest ben niet mooier te maken dan ze zijn.”

De introductie op The Jan Breman Omnibus besluit met een karakteristiek van uw werk. U zou bouwen aan een ‘waarlijk mondiale, non-eurocentrische geschiedenis van de arbeid’. Herkent u zich daarin?

“In niet-eurocentrisch? Ja, absoluut. De sociale geschiedenis zoals wij die hebben doorgemaakt herhaalt zich niet. De transformatie van de samenleving in de richting van industrialisatie, urbanisatie en een economische groei die een steeds groter deel van de bevolking ten goede komt... Dat proces zie je zich niet aftekenen. En dat heeft met die mondialisering te maken. De veronderstelling dat de armoede vermindert bij mensen betrokken bij de moderne economie is onjuist.”

Is volgens u de armoede dan niet afgenomen?

“Er is duidelijk sprake van een versnelling van het proces van economische groei. Alleen het deel van de bevolking dat daar de vruchten van plukt is vrij bescheiden. En er is een erg groot deel, zo’n 30 tot 40 procent die er weinig of niet op vooruitgaat. Dat is trouwens een schatting op basis van mijn veldwerk, niet op basis van de officiële statistieken van de overheid.

“Ik concludeer niet dat de armoede toeneemt. Dat zou een verkeerde veronderstelling zijn. De ellende is afgenomen. De armoede die ik begin jaren zestig aantrof – de honger, het gebrek aan kleding en huisvesting – is niet groter geworden. Dus het is niet zo dat de armen armer en de rijken rijker worden.

“Alleen, degenen die toen niet arm waren, die zijn er vele malen op vooruitgegaan. De kloof tussen arm en rijk is sterk toegenomen. En iedere samenleving heeft daarin haar eigen wetmatigheden. In India zie je de slechtst denkbare combinatie: een sociale hiërarchie waarin het gelijkheidsdenken weinig voortgang heeft gemaakt – het kastenstelsel – terwijl dat nog een keer versterkt wordt door een marktfundamentalisme dat leert dat je arbeid in dienst moet nemen en moet afdanken in de mate waarin je het nodig hebt.”

U nam zowel sociale klasse als kaste op in uw onderzoek naar de dorpssamenlevingen. De kinderen van de hogere kaste, de Anavils, migreren naar de vs, de middenkaste, de Kolis, zoeken werk in de stad en vrouwen kiezen voor een vrijere, stedelijke identeit. Dit lijkt toch wel erg veel op een versnelde film van het westers moderniseringsproces?

“Die versnelling is er, ja. Maar tegelijkertijd leven we in een unieke tijd. Er is definitief een einde gekomen aan een beschaving die eeuwenlang de wereld heeft gedomineerd: de boerensamenleving. Dat zagen we in de tweede helft van de negentiende eeuw in Duitsland, in Frankrijk, gebeuren en nu in de hele wereld. Alleen betekent het niet dat het traject van baan, scholing, meer waardigheid en een beter bestaan wordt gevolgd. Het grote verschil met Europa is, dat toen de landbouw in Europa arbeid afstootte, je de notie van de classe dangereuse had. Dat mensen die in armoede gevangen worden gehouden een sociaal probleem voor de samenleving opleveren. Verwacht werd dat zij in verzet zouden komen en op die manier de bestaande maatschappelijke orde zouden verstoren. Mijn collega Abram de Swaan formuleerde dat in zijn studie Zorg en de Staat. Waarom is armoede in onze eigen samenleving verminderd? Volgens hem omdat de bezittende klasse meende dat het binnenboord hijsen van die arme onderklasse een noodzakelijke concessie was. Dat moest gebeuren om de hele samenleving op een hoger plan te brengen.

“In India zien we achteruitgang. In Ahmedabad, de grootste stad in West-India naast Mumbai, kwam de textielindustrie al op in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Daar vestigden zich steeds meer grootschalige textielbedrijven. Dat waren fabrieken die twee- tot drieduizend mensen in dienst hadden en die ook een arbeidscontract kregen. Ze raakten geschoold, hun rechten namen toe, het aantal werkuren verminderde van veertien à zestien uur per dag naar twaalf à tien per dag, op het laatst zelfs acht uur zoals wij dat kennen, met drie ploegendiensten. Voor overwerk werd extra betaald. Er was een regeling voor extra sociale voorzieningen, zoals een gezondheidsverzekering waar de hele familie onder viel. Kortom, dat was een bestaan van fabrieksarbeiders zoals we dat uit de westerse ontwikkelingen kennen. Maar in het laatste decennium van de twintigste eeuw sloten fabrieken, de arbeid werd afgedankt, zonder enige compensatie. De fabrieken zetten hun productie om in informele sectorarbeid, in kale loodsen met weefgetouwen uit die fabrieken.”

Door dezelfde werkgevers?

“Vaak door dezelfde werkgever. Ik heb arbeiders gesproken die dezelfde weefgetouwen bedienden als in de fabriek. Maar nu voor minder dan de helft van het loon dat ze toen kregen en voor een veel langere werktijd. Wat ook weg moest was hun vakbond. En dat was een heel belangrijke vakbond, nog door Mahatma Gandhi in 1918 opgericht. Als in de kleinschalige werkplaatsen de werkgever hoort dat ze bij een vakbond aangesloten zijn geweest, is dat al voldoende om hen niet in dienst te nemen.”

Was het optimisme, het opbouwgevoel, er onder de mensen tijdens uw eerste veldwerk in de jaren zestig wel?

“Onder die fabrieksarbeiders zeker. Ik heb een klasse gevonden, mensen die op straat gezet werden en zich echt bedrogen voelen. Die explosie van onderlinge haat die daarna in 2001 uitbarstte in Ahmedabad, heeft ook te maken met die frustraties. Een kwart van de arbeidende bevolking bestond uit moslims, de anderen waren lage kasten, onaanraakbare kasten, achtergebleven kasten en die concurreerden opeens om een schaars goed, namelijk werk. En in die concurrentiestrijd werden de moslims tot mikpunt gemaakt van een pogrom, met vreselijke gevolgen.”

U constateert een opleving van religie onder alle kasten. De Anavils renoveren hun Hindoetempels, de Kolis willen door religie meestijgen op de kastenladder, vrouwen krijgen te maken met strengere geloofsregels. Waarom?

“De politieke betekenis van godsdienst neemt toe en dat is onderdeel van de mondialisering. Mensen gaan zich meer vastbijten in hun identiteit. Er is geen groot gapend gat tussen mevrouw Verdonk, Geert Wilders en wat er elders in de wereld gebeurt.”

Het geweld onlangs, eind november in Mumbai, hangt dit volgens u samen met een botsing tussen religieuze beschavingen? Had politicoloog Samuel Huntington met zijn voorspelling van een ‘clash of civilizations’ toch gelijk?

“Ik maak twee kanttekeningen bij de gebeurtenissen. Allereerst: het grootste deel van Mumbai heeft u niet gezien; er wonen twintig miljoen mensen. Het is heel misleidend, we zagen alleen de sjieke hotels. En de tweede kanttekening: er wordt onterecht een verband gelegd tussen religie en criminaliteit. Huntington is een buitenstaander met weinig kennis van de islam. Die niet weet hoe de islam bijvoorbeeld heeft bijgedragen aan de verlichting in Europa. Wij in ons westers fort van verlichting vinden anderen vaak inferieur.”

U betwistte in een artikel verschenen in 2007 in het tijdschrift Sociologie, dat de internationale oriëntatie een sterk punt van de Nederlandse sociologie zou zijn. U ziet eerder provincialisme overheersen?

“De blik is naar binnen gericht. Bij mondialisering gaat het vooral om de uitwerking op de Nederlandse samenleving, of de analyse beperkt zich tot verwante, westerse samenlevingen. Geen Nederlandse socioloog die onderzoek in Brazilië doet. Antropologen wel, maar die zijn ook in Nederland onderzoek gaan doen. De antropologen zijn thuisgekomen, terwijl de sociologen nooit zijn weggegaan. Maar, zoals de eerste Nederlandse sociaal-wetenschapper S.R. Steinmetz al zei: wie één samenleving kent, kent er geen.”

U bent een leerling van de Nederlandse socioloog Wim Wertheim (1908-1998). Welke sporen laat hij na in uw werk?

“Ik denk dat ik het spoor van Wertheim volg, zo word ik ook gezien. Wertheim was rechter bij de landraad in Nederlands-Indië, maar is toen al heel snel benoemd tot hoogleraar aan de enige universiteit die er in Indonesië was, de Rechtshogeschool in Batavia. Hij identificeerde zich met de Indonesische onafhankelijkheid en dat is hem kwalijk genomen. In de jaren zeventig hebben de media hem vooral zijn stellingname ten gunste van China gelaakt. Zijn werk moet vooral begrepen worden vanuit het begrip emancipatie. Hij heeft ontwikkelingshulp altijd als voortzetting van koloniale politiek gezien, waarbij bestaande afhankelijkheidsverhoudingen in stand blijven. Daar volg ik hem in.”

U schrijft zelf dat het veldwerk dat u tussen 2004 en 2006 deed, misschien wel uw laatste veldwerk is. Is dat zo?

“Veldwerk is een heel intensieve methode van onderzoek met allerlei fysiek ongemak en gezondheidsproblemen. Naarmate ik ouder word, is er een grens aan mijn absorptievermogen. De laatste keer, tussen 2004 en 2006, ben ik vrij ernstig ziek geworden. Als je de 70 gepasseerd bent, en dat ben ik inmiddels, is veldwerk niet meer gemakkelijk. Hoewel, afgelopen zomer ben ik in China geweest en heb ik toch weer veldwerk gedaan. Op basis daarvan moet ik mijn recensie van Mike Davis’ Planet of Slums nog herzien. Mike Davis komt met verontrustend materiaal. Hij schetst een vrij somber beeld over het proces van urbanisatie en slumvorming. Drie van elke vier migranten komen in sloppenwijken terecht en blijven er dan ook in. De idee dat zij langzamerhand hun weg omhoog vinden is niet waar en daarin kan ik Davis bevestigen. Het bezwaar is dat hij armoede te zeer als een geweldsprobleem oproept. En hij noemt Shanghai als stad waar die slumvorming zich ook op grote schaal voltrekt. Die conclusie deel ik niet met hem.

“Die vergelijking tussen India en Indonesië, en aan de andere kant China vind ik heel belangrijk. Dat zijn de drie samenlevingen waar het deze eeuw over gaat. Alleen in bevolkingsomvang al praten we over meer dan de helft van de wereldbevolking. De trek in China naar de steden is de grootste volksverhuizing ooit in de wereldgeschiedenis. Er is van alles aan te merken op wat er in China gebeurt, maar de migranten die vanuit het platteland naar de stad trekken, gaat het beter, hebben een grotere waardigheid dan de massa van de migranten elders in de derde wereld. Wanneer er hoop is, dan vermoedelijk langs dat traject van China.”

The Jan Breman Omnibus. New Delhi: Oxford University Press 2008, ca. € 40.