Slumdog Millionaire is even als het boek, maar de bewerking van Tolkien is dan de roman slecht beter

De kern van elke bewerking is: hoe maak je een tweede versie die de ziel van de eerste draagt?

Salman Rushdie: bewerking van boeken tot films is een doolhof van spiegels en façades Voor het bewerken van films geldt het zelfde als voor integratie van immigranten in een nieuwe samenleving: wees niet te star maar de essentie moet wel bewaard blijven (Illustratie Barbara Mulderink)
Salman Rushdie: bewerking van boeken tot films is een doolhof van spiegels en façades Voor het bewerken van films geldt het zelfde als voor integratie van immigranten in een nieuwe samenleving: wees niet te star maar de essentie moet wel bewaard blijven (Illustratie Barbara Mulderink) Mulderink, Barbara

Geboren in Bombay, 1947. Schrijver van onder meer Middernachtskinderen. In 1989 riep Ayatollah Khomeini een fatwa uit over Rushdie, wegens het vermeend godslasterlijke karakter van zijn roman De Duivelsverzen (1988). De fatwa is nog steeds van kracht.

Bewerking – het proces waardoor het één zich ontwikkelt tot het ander, waardoor een vorm of gedaante een andere vorm krijgt – is in de wereld van de kunst heel gewoon. Constant worden boeken bewerkt tot toneelstukken en films, worden toneelstukken bewerkt tot films en soms tot musicals, worden films bewerkt tot Broadwayshows en zelfs, via het kwalijke procedé novelisation, tot boeken. Zulke transformaties zijn schering en inslag. Goede films – Lolita, The Pink Panther – worden in remakes slechte films; de remakes van slechte films – The Incredible Hulk, Deep Throat – worden nóg slechtere films. Iedereen kan zo een lijstje opstellen van alle rampzalige bewerkingen die hij heeft gezien. Mijn persoonlijke favorieten zijn David Leans bespottelijke verfilming van A Passage to India, waarin Alec Guinness als wijze hindoe zijn heiligschennende voeten in een gewijd waterbekken laat bungelen; en de gecastreerde versie van Kazuo Ishiguro’s Remains of the Day – een Merchant Ivory-productie –, waarin Ishiguro’s Britse nazi-aristocraat, die overduidelijk vuile handen heeft, wordt neergezet als een beminnelijke, goedgelovige, bedrogen oude stumper die eerder medeleven verdient dan verachting.

De film die de mogelijkheden van de bewerking het grondigst verkent, is waarschijnlijk Adaptation (2002) van Spike Jonze en Charlie Kaufman. Susan Orleans non-fictieboek The Orchid Thief was oorspronkelijk een tekst voor The New Yorker, over het onderzoek dat Orlean gedaan had naar de aanhouding van ene John Laroche, die was betrapt op het stropen van zeldzame orchideeën in het Fakahatchee Strand-natuurpark in Florida. De film neemt een loopje met de feiten, dringt ‘Susan Orlean’ een affaire op met ‘Laroche’ – die beiden worden voorgesteld als verzinsels van het fictieve alter ego van de eigenlijke scenarioschrijver, dat ook Charlie Kaufman heet, en gezegend is met – dan wel gebukt gaat onder – een denkbeeldige tweelingbroer Donald. De film is een doolhof van spiegels en loze façades en gewilde metaliteraire trucs; hij loopt uit op een krankjorume thrillerwereld van drugs, seks en schietpartijen. Laroche – de John Laroche uit de film – wordt ten slotte, net als kapitein Haak, levend verslonden door een alligator.

Wat de bewerkingsexcessen van Adaptation aan de orde stellen, is waar het bij bewerkingen om draait, namelijk de vraag naar de essentie. „Poëzie is wat in vertaling verloren gaat”, heeft Robert Frost gezegd, waarop Joseph Brodsky antwoordde: „Poëzie is wat in vertaling gewonnen wordt.” Scherper konden de gevechtslinies niet worden afgebakend. Ik heb altijd het standpunt gehuldigd dat, of wij het nu hebben over een gedicht dat een taalgrens oversteekt om een ander gedicht te worden in een andere taal, over een boek dat de grens tussen de wereld van het drukwerk en die van het filmdoek overschrijdt, of over mensen die van de ene wereld migreren naar de andere, Frost en Brodsky allebei gelijk hebben. In de vertaling, in de overtocht, gaat altijd iets verloren, maar er kan ook iets worden gewonnen.

De kern van de bewerking blijft de vraag: hoe maak je ergens een tweede versie van die op een geslaagde manier iets eigens, iets nieuws is, en die tóch de essentie, de geest, de ziel van de eerste in zich draagt? Wordt bewerking in deze brede zin opgevat, zoals ik doe, dan wordt duidelijk dat alle betekenissen van deze term te maken hebben met wat essentie is. Wat bewaar je? Wat laat je vallen? Wat kun je veranderen en waar trek je de grens?

Wat valt er te zeggen over Slumdog Millionaire, die is bewerkt naar de roman Q&A van de Indiase diplomaat Vikas Swarup en geregisseerd door Danny Boyle en Loveleen Tandan, de film die acht Oscars heeft gewonnen, waaronder die voor de beste film? Een feelgood movie over de vreselijke sloppenwijken van Mumbai, een in overdadige beelden opgenomen film over extreme armoede, een romantische blik door de bril van Bollywood op de schrijnende, onromantische onderbuik van India – tja – hij voelt goed, toch? Het haalt waarschijnlijk niets uit om het tegen zo’n populaire film op te nemen, maar vooruit, ik doe een poging.

De problemen beginnen al met het boek waarnaar de film is gemaakt. De roman van Swarup is een slap commercieel product met een uiterst onwaarschijnlijke plot: een jongen uit een achterbuurt ziet op een of andere manier kans om mee te doen aan de zeer populaire Indiase versie van Who wants to be a millionaire. Daar weet hij alle goede antwoorden, doordat hij in de lukrake loop van zijn leven, door een reeks ongelooflijke toevallen, te weten is gekomen wat hij nu weten moet. De vragen worden ook nog eens gesteld in de volgorde die nodig is om zijn flashbacks chronologisch te laten verlopen. Dit is een uitgesproken mal bedenksel – het soort fantasyliteratuur dat fantasyliteratuur zo’n slechte naam heeft bezorgd. Deze plot is door de filmmakers zorgvuldig overgenomen en vormt zo de kern van het bizar getitelde Slumdog Millionaire, met als gevolg dat ook de film te gek voor woorden is.

In de film wordt de ene onmogelijkheid op de andere gestapeld – krasser nog dan in het boek. Twee jongens uit de sloppenwijken van Mumbai, met als moedertaal respectievelijk Hindi en Marathi, vluchten voor een brand en spreken ineens perfect Engels – goed genoeg om met westerse toeristen te praten en hen op te lichten. Bij hun vlucht voor de brand in de achterbuurt leveren ze trouwens een buitengewone lichamelijke prestatie, want het volgende moment zijn ze bij de Taj Mahal in Agra, honderden kilometers verderop. Even later zijn ze weer terug in Mumbai. De oudste van de twee bezit intussen een vuurwapen en kogels, plus de vaardigheid en de durf om ze te gebruiken. Hoe hij aan dat vuurwapen is gekomen, wordt nergens verklaard. India is de Verenigde Staten niet, en je komt daar dan ook niet zo makkelijk aan een wapen, tenzij je tot de maffia behoort, wat op dit punt van het verhaal niet het geval is. Als je de stad waar je bent opgegroeid op zo’n komisch-absurde, smakeloze manier ten tonele ziet voeren, krijg je er ten slotte de pest in. Slumdog Millionaire is zó’n draak dat als de film maar ergens speelde waar het westerse publiek wat meer vertrouwd mee was, men wel door zou hebben wat een banaal zootje het is. Geloven we heus dat het liefje van een maffiapeetvader bij hem zou kunnen weglopen en nog lang en gelukkig leeft met de geliefde uit haar jeugd? Zou Don Corleone dat pikken? Nee? Wel, de peetvaders van de D-Company of een van de andere gangsterbendes van Mumbai net zo min.

Vroeger gingen westerse films over India meestal over blonde vrouwen die vrijwel onmiddellijk na aankomst aldaar verliefd werden op een maharadja, die blijkbaar onbeperkt uit voorraad leverbaar waren, speciaal voor Engelse of Amerikaanse blondines. Of ze gingen over Europese vrouwen die Indiërs die geen maharadja waren, van verkrachting beschuldigden, misschien omdat ze kwaad waren omdat een niet-maharadja avances had gemaakt. Maar dat soort exotisme spreekt niet meer aan. In plaats daarvan eisen de mensen zoveel pit en geweld dat ze kunnen geloven iets authentieks te zien – toerisme blíjft het. Waren de oudere films in de Brits-Indische koloniale tijd maharadjatoerisme, nu hebben ze plaatsgemaakt voor achterbuurtentoerisme. In een interview op het filmfestival in Telluride vorig najaar verklaarde Boyle, op de vraag waarom hij een project had gekozen dat zo afweek van zijn gewone stof, dat hij nooit in India was geweest en er niets van wist, en dat dit project voor hem dus een buitenkansje was. Toen ik dat hoorde, stelde ik me voor dat een Indiase filmregisseur, die een film maakt over de zelfkant van New York, zegt dat hij dat gedaan heeft omdat hij niets over New York weet en er zelfs nog nooit is geweest. De kritiek had hem aan stukken gescheurd. Maar als een regisseur uit de eerste wereld zoiets zegt over de derde wereld, dan is het lovenswaardig en een blijk van artistieke durf. Het meten met twee maten is een aspect van de postkoloniale houding dat nog niet helemaal verdwenen is.

Het standpunt tegen bewerkingen en voor oorspronkelijke scenario’s is mij ooit op zeer heftige toon uiteengezet door een enigszins aangeschoten Britse filmproducent, die zei dat alle naar boeken gemaakte films shit zijn. Er valt beslist veel te zeggen voor het shit-standpunt. De verfilmingen van het meesterwerk van García Márquez zijn travestieën; zij vervangen de fantasierijke precisie van de auteur door lui exotisme, dat verregaand verraad pleegt aan de originelen zonder dat ook maar te beseffen.

Maar Schlöndorffs Blechtrommel vormt een schitterende uitzondering, gedragen door de beklemmende acteerprestatie van David Bennent als Oskar Matzerath, de Peter Pan onder de miljoen reddeloze jongens en moordzuchtige piraten van nazi-Duitsland: kleine onvolgroeide Oskar – het tweede jongetje in de klassieke literatuur dat nooit is opgegroeid.

Filmbewerkingen zijn dus niet helemaal onmogelijk, en wanneer wij een niveau onder de grote literatuur kijken, valt aannemelijk te maken dat vele filmbewerkingen beter zijn dan het proza dat eraan voorafging. Ik zou zeggen dat Peter Jacksons verfilming van The Lord of the Rings het origineel van Tolkien overtreft, omdat Jackson eerlijk gezegd beter filmt dan Tolkien schrijft. Jacksons filmische, brede, lyrische, nu eens intieme en dan weer epische stijl valt verre te prefereren boven het proza van Tolkien, met zijn zorgwekkende mengeling van gekletsmeier, schalksheid en hoogdravendheid, proza dat alleen in de buurt komt van iets humaans, en van gewoon Engels, in de stukken over de hobbits, het kleine volkje dat in het epos – veel meer dan de grootse en heroïsche (of huichelachtig-boosaardige) mensen – de mensheid vertegenwoordigt.

Mijn persoonlijke ervaringen met bewerkingen zijn wisselend, al zit er wel vooruitgang in. Het begin was niet best. Een van de producenten van Richard Attenboroughs Gandhi zei dat ze graag Midnight’s children wilde verfilmen, op één klein stukje na, dat ze zwak en overbodig vond. Jammer genoeg was dat kleine stukje de climax van het boek, waarin de Indiase premier Indira Gandhi min of meer de schurk was. „Dat hoeft er niet in”, zei de producent, „zonder dat is het boek veel beter.” Verder is dat project niet gekomen.

Welke zaken beschouwen wij in ons leven als essentieel? De antwoorden zouden kunnen zijn: onze kinderen, een dagelijkse wandeling in het park, een stevige borrel, boeken lezen, een baan, een vakantie, een honkbalteam, een sigaret of de liefde. Maar vaak zet het leven ons een hak: onze kinderen gaan het huis uit, we verhuizen weg van ons lievelingspark, de dokter zegt dat we niet meer mogen roken of drinken, we worden blind, ontslagen, er is geen tijd of geld om met vakantie te gaan, ons honkbalteam bakt er niets van, ons hart breekt. Op zulke momenten hangt ons beeld van de wereld scheef aan de muur. Maar dan, als we het kunnen opbrengen, passen wij ons aan. En daaraan kun je zien dat de essentie iets diepers is dan al die dingen – het is wat ons erdoor sleept. De twaalf afzonderlijke variëteiten vinken die Charles Darwin op de Galapagoseilanden aantrof, hadden allemaal plaatselijke adaptaties ontwikkeld, maar toen de ornitholoog John Gould in 1837 Darwins specimina onderzocht, werd hem duidelijk dat het geen verschillende vogels waren, maar twaalf variëteiten van dezelfde vogel. Ondanks toevallige mutaties en natuurlijke selectie was hun vinkheid, hun essentie, ongeschonden.

Als individuen, als gemeenschappen, als naties zijn wij voortdurend bezig onszelf te adapteren, aan te passen, en moeten wij onszelf voortdurend voorhouden: waarin ligt onze vinkheid? Welke zaken mogen wij nooit opgeven, tenzij wij niet langer onszelf willen zijn?

Met andere woorden: het proces van sociale, culturele en individuele adaptatie moet, om te kunnen slagen, net als kunstzinnige adaptatie of bewerking vrij zijn, en niet star. Wie zich te zeer vastklampt aan de oude tekst, de zaak die moet worden bewerkt, de oude manier van doen, het verleden, is gedoemd iets voort te brengen dat niet werkt, een ongelukkig gevoel, een vervreemding, een ruzie, een mislukking, een verlies.

Maar zij die niet weten wie ze zijn, zijn óók gedoemd: individuen die zichzelf opofferen omwille van anderen, moppentappers die ophouden moppen te tappen omdat ze geen humor meer zien in de wereld, serieuze mensen die proberen moppen te tappen omdat ze bang zijn voor humorloos door te gaan, mensen in een nieuwe situatie, een nieuwe relatie, aan een nieuwe universiteit, die tegen hun aard handelen, omdat ze denken dat dat de manier is om het leven voor zichzelf gemakkelijker te maken.

Door zich slecht aan te passen, kunnen hele samenlevingen het spoor bijster raken. Terwijl zij zichzelf proberen te redden, zullen zij soms anderen verdrukken. Wanneer zij zichzelf denken te verdedigen, zullen zij soms juist de vrijheden die volgens hen gevaar liepen, schenden. Terwijl zij zogenaamd opkomen voor de vrijheid, kunnen zij zichzelf en anderen minder vrij maken. In hun streven om meer begrip tussen volkeren te kweken, proberen zij soms te voorkomen dat bepaalde opinies die voor sommigen van hun leden onaanvaardbaar zijn, worden geuit – waardoor zij de woede van anderen vergroten.

Samenlevingen in ontwikkeling zullen in een tijd als de huidige, vol snelle veranderingen, erin slagen zich goed aan te passen wanneer zij weten wat essentieel is, waarover geen compromis mogelijk is, wat al hun burgers moeten accepteren als de prijs om erbij te kunnen horen. We leven nu al vele jaren in een tijdperk van slechte maatschappelijke aanpassingen, van appeasement en overgave aan de ene kant, en arrogante excessen en dwang aan de andere.

We kunnen alleen maar hopen dat het ergste achter de rug is, en dat betere films, betere musicals en betere tijden ophanden zijn.

© 2009, Salman Rushdie