Parco Regionale dell?Abbazia di Monteveglio

‘Non sostare’ gebiedt een waarschuwingsbord – Blijf niet staan. Ja, en dan sta je juist meteen stil, uit nieuwsgierigheid naar waarom een wandeling hier niet gestopt zou mogen worden. Strenge letters verklaren dat er wel eens keien naar beneden rollen (‘caduti massi’). Man maakt een breed gebaar, hij wijst. We zouden hier normaal gesproken doorgelopen zijn, dankzij het bord staan we hier stil. En juist hier, waar stoppen niet mag, is het uitzicht, als je het even tot je door laat dringen, het risico van vallend gesteente meer dan waard. De bescheiden vallei is gevuld met golvende rotsrichels, hun oppervlak craquelé als olifantenhuid. Tussen de richels groeien zandkleurig gras en struiken; in het midden verheft zich een catwalk met een rij pluizige naaldbomen. Dit landschap is moe, het heeft het gehad met koud. Het heeft geen zin meer in winter. Het snakt naar lente, daarom trekt het energiek het licht van de zwakke zon naar zich toe en laat het stuiteren tegen de benevelde bergkammen.

Er moet geklommen worden, eerst over een veldweg langs een klooster als een middeleeuws fort, daarna over sporen tussen naakte eikjes. Vervolgens houdt de route, die we kozen uit het aanbod op de kaart van dit natuurgebied, een smalle asfaltweg aan die afgelegen hoeves en hun wijnvelden-in-winterslaap verbindt. Vriendelijk zwenkt hij over de vlakte en vermoedelijk houdt hij er niet meer mee op. Het is denkbaar dat hij binnen anderhalve maand door velden vol bloemen vlindert. Dan zal dit prachtig zijn. Nu niet. Nu zegt man weifelend: „’T is niet echt woest hier, hè?’’

Ja, bij dit kalme weer, over deze weg, in dit door de tanende winter vervaagde landschap, is het sloom lopen. We laten de route de route en pakken het anders aan. We zoeken alternatieve wegjes, kringeltjes op de kaart. Weg van deze weg. De bosjes in.

Daar is het niet suf. Mijn schoenzolen worden zwaar van de aanhangende modder. Er vloeit een stroom, er gloeien vuurtjes met afvalhout, er zijn kiezel-, gras- en gladde paden, omhoog en omlaag. Er leidt een pad langs een waarachtig ravijn, scherp in de rotsen ingesneden. Het is te diep voor paadjes, althans, ik zie ze niet. Het is uitkijken geblazen op de brugjes van hakhout heen en weer over het water, voor je het weet ga je onderuit.

Het pad daalt naar het dorp. Onderaan de wortels van de laatste, nu niet meer dunne maar zware eiken bloeien kleine paarse bloemen, met witte stipjes in hun harten. Lente. Toch.

10, 5 km, ontleend aan de kaart van het Parco Regionale dell’Abbazia di Monteveglio (Valli del Samoggia en del Lavino). Uitg. Club Alpino Italiano. Start in het dorp Monteveglio. Er rijden regelmatig streekbussen van en naar Bologna.