Ontmenselijking bedreigt ook NAVO-militair

Lessen geleerd in eerdere oorlogen blijken vergeten in Afghanistan: informatie delen, niet alleen lijken tellen en de bevolking niet als vijand zien, maar als medemens. Het helpt.

Stamleider Ibrahim Akhundzada in Uruzgan ontvangt een Frans-Afghaans-Nederlandse patrouille. Het Vreemdelingenlegioen helpt in Uruzgan bij het opleiden van het Afghaanse leger. (Foto Bas Czerwinski) 29-10-2008, Camp Hadrian, Deh Rawood, Uruzgan, Afghanistan. Ibrahim Akhundzada in Dewananwargh, nabij Camp Hadrian, Deh Rawood. Foto Bas Czerwinski
Stamleider Ibrahim Akhundzada in Uruzgan ontvangt een Frans-Afghaans-Nederlandse patrouille. Het Vreemdelingenlegioen helpt in Uruzgan bij het opleiden van het Afghaanse leger. (Foto Bas Czerwinski) 29-10-2008, Camp Hadrian, Deh Rawood, Uruzgan, Afghanistan. Ibrahim Akhundzada in Dewananwargh, nabij Camp Hadrian, Deh Rawood. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Het is een hard oordeel. De militairen van de NAVO-coalitie die de opstandelingen in Afghanistan bestrijden behalen onvoldoende resultaat, omdat ze gebrekkig communiceren en zich onvoldoende inspannen om de Afghaanse burgers te beschermen. Dat concludeert een kritische studie, opgesteld voor de Amerikaanse strijdkrachten (‘for official use only’), dat onlangs uitlekte. De studie biedt ook gedetailleerde aanwijzingen voor een verbetering van de situatie.

Op basis van voorbeelden uit de praktijk en gesprekken met tientallen militairen (uit de VS, Canada, Groot-Brittannië en ook Nederland), schrijven de opstellers dat de militairen in Afghanistan (en ook in Irak) te veel bezig zijn om hun prestaties in harde cijfers te vangen. Daardoor verwaarlozen ze belangrijke doelstellingen, zoals het onderhouden van contacten met de lokale bevolking.

Bovendien werken militaire inlichtingendiensten in het oorlogsgebied structureel langs elkaar heen, wat tot gevaarlijke situaties leidt. De diensten zouden hun informatie meer met elkaar moeten delen, luidt het advies. Dergelijke lessen zijn ook uit eerdere oorlogen getrokken, aldus het rapport, maar de toepassing in de praktijk blijft ver achter bij de beleden principes.

Het rapport werd in november uitgebracht door RAND National Defense Research Institute, een denktank die gefinancierd wordt door de Amerikaanse overheid. De bevindingen, die vooral de periode 2006-2007 beslaan, geven een zeldzaam inzicht in de praktijk van de militaire en inlichtingenoperaties.

De neiging bestaat om het succes van de missie vast te stellen aan de hand van informatie die makkelijk beschikbaar is, in plaats van de werkelijke factoren die het succes bepalen. „Als een commandant gemakkelijk het aantal gevonden wapenopslagplaatsen kan meten, kan hij of zij besluiten dat het gevonden aantal een maat is voor het doel van toegenomen veiligheid”. De NAVO-troepenmacht ISAF meldt geregeld de vondst van wapenopslagplaatsen als goed nieuws. En dat terwijl het voorkomt dat Talibaan-commandanten die zij op die plaatsen zochten zijn ontkomen. „Het gevolg kan zijn dat zoektochten naar wapens prioriteit krijgen boven andere taken die nuttiger zijn”.

Militairen leggen te veel nadruk op harde cijfers, waardoor ze soms de verkeerde informatie krijgen. „Ik denk dat de afkeer voor kwalitatieve gegevens ons werk in de toekomst zal hinderen”, zegt een anonieme bron, „omdat we soms geen andere gegevens hebben. Een briefing met alleen kwalitatieve gegevens wordt nog niet geaccepteerd”. Het aantal patrouilles in een buurt is geen indicatie voor het gevoel van veiligheid onder de lokale bevolking, aldus de onderzoekers. Factoren die moeilijker in harde cijfers zijn uit te drukken, zoals kinderen die op straat spelen, minderheden die zich meer durven laten zien en burgers die weer sierraden durven dragen, kunnen meer vertellen over de openbare veiligheid.

Een andere anonymus zei gefrustreerd te zijn over het ISAF-commando voor de zuidelijke provincies (waaronder ook Uruzgan valt), dat het aantal gedode tegenstanders en het aantal projecten van het Provinciaal Reconstructieteam wilde weten. De militair vroeg aan het commando naar de definitie van ‘een project’, maar kreeg geen antwoord. „Ze wilden alleen maar een overzicht met grote getallen. De gegevens waren dus onbruikbaar, omdat iedereen een andere definitie gebruikte”.

Commandanten „zwelgen in de drogreden van dodentallen”, vindt een andere bron. „Een maand waarin meer Talibaan zijn gedood dan in voorgaande maanden wordt gezien als vooruitgang. Maar het geeft waarschijnlijk eerder weer dat er meer vijanden op het slagveld waren dan daarvoor”.

Hoewel er bij het verzamelen en verwerken van inlichtingen de afgelopen jaren veel vooruitgang is geboekt in Afghanistan en Irak, blijven „bureaucratische barrières” effectiever militair opereren in de weg staan. Nederlandse F-16’s kregen bijvoorbeeld wel een Amerikaans verzoek om een bombardement uit te voeren, maar mochten na afloop niet het Amerikaanse rapport inzien waarin werd vastgesteld hoe effectief de actie was. En op kamp Holland zouden op zeker moment dertien verschillende inlichtingendienst naast elkaar, en langs elkaar heen, hebben gewerkt. Een verontwaardigde Nederlandse luitenant vertelde de onderzoekers dat één dienst al maanden wist van het bestaan van een ‘fabriek’ waar bermbommen werden gemaakt, terwijl die kennis niet werd gedeeld met de militairen van andere landen die er regelmatig langsreden.

Lokale informanten komen bij inlichtingendiensten aanzetten met onbetrouwbare ‘junk tips’, een bekende praktijk die bestreden zou kunnen worden met een betere boekhouding van informatie en informanten (bijvoorbeeld door de tipgever met een iris-scan te identificeren). Het rapport adviseert ook inlichtingenofficieren minder snel te rouleren, omdat continuïteit voor de contacten met informanten van cruciaal belang is.

Voor de militairen in Afghanistan (en Irak) is het werk uitzonderlijk moeilijk, stelt het rapport. Anders dan in traditionelere conflicten moeten ze vaak allerlei rollen spelen: diplomaat, burgemeester, sociaal werker, gemeentewerker, politicus en mentor – en altijd soldaat.

„Terwijl conventionele soldaten hun blik letterlijk en figuurlijk op de vijand kunnen richten, kan iemand in een coalitie die een opstand bestrijdt de vijand maar beperkte aandacht geven”.

Een gevaar is het „ontmenselijkende effect” van oorlogen. Daardoor stellen militairen zich vijandig op tegenover de lokale bevolking – terwijl die juist een belangrijke bron van informatie kan zijn. Tegen dit fenomeen zou meer ondernomen moeten worden.

Als voorbeeld noemt het rapport de Nederlandse training in culturele gevoeligheden. Een anonieme Nederlandse militair vertelt dat soldaten altijd geleerd wordt dat zij zich dienen af te vragen hoe de Afghanen tegen hen aankijken. En als ze opmerken: „Afghanen stinken”, krijgen ze tegengeworpen: „En hoe zou het met jou zijn als je geen wasmachine had, en op een vloer van modder moest slapen?”

Het rapport is te lezen op nrc.nl/buitenland