Literatuur in de breedte

Stel dat ik een buitenlander wil uitleggen hoe de Nederlandse literatuur er in 2009 voorstaat, wat vertel ik hem dan? Laten we hem voor het gemak John noemen.

Ik wil natuurlijk niet volstaan met John een paar titels en een paar schrijvers te noemen. Ik ga ook niet alleen het nieuwste van het nieuwste noemen, want literatuur heeft een lange houdbaarheidsdatum. Ik zou hem uitleggen hoe literatuur in Nederland werkt. Hoe schrijvers hun kost verdienen. Wie de belangrijkste uitgevers zijn. Wie de geloofwaardigste critici zijn. Naar welke boekhandel hij toe moet.

Ik begin met hem te vertellen hoeveel en hoe goed er in het Nederlands geschreven wordt. Het leuke van literatuur is dat heden en verleden tegelijkertijd aanwezig zijn. Eerst zal ik John een paar titels uit de Nederlandse literatuur noemen die ik beschouw als van wereldklasse. Boeken die je gelezen moet hebben. De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch, Advocaat van de hanen van Adri van der Heijden, De wandelaar van Adriaan van Dis zal ik hem aanraden, en Max Havelaar, Bint van Bordewijk, de verhalen van Nescio en nog heel wat meer. En vanzelfsprekend poëzie, van Leopold, Achterberg, Kouwenaar. Maar John wil natuurlijk ook weten wat er nu, op dit moment, veel gelezen wordt. Dat wordt een beschamend antwoord, want er worden meer vertaalde boeken gelezen dan oorspronkelijk Nederlandse. Vorig jaar was De vliegeraar van Khaled Hosseini het best verkochte boek, en nu verkoopt Paolo Giordano’s De eenzaamheid van de priemgetallen heel goed. Horen vertaalde boeken niet eigenlijk ook bij de Nederlandse literatuur? Als het mooie vertalingen van mooie boeken zijn – tja, dan horen ze er net zo goed bij.

Vanzelfsprekend kom ik

van de meesterwerken uit bij de voornaamste schrijvers van Nederland. Dus leg ik John uit dat er oude gerenommeerde schrijvers zijn die nog levend rondlopen en die deels nog schrijven, deels zwijgen maar toch invloed hebben. Gerrit Kouwenaar, Harry Mulisch, Simon Vinkenoog, Remco Campert. Dan is er een grote middengeneratie, al twintig, dertig jaar actief, betrokken bij stromingen waarvan de meeste allang voorbij zijn, maar geheel aanwezig. A.F.Th. van der Heijden, Thomas Rosenboom, Nelleke Noordervliet, Doeschka Meijsing, Mensje van Keulen, Maarten ’t Hart, Jan Siebelink. Dan iets jongere als Joost Zwagerman, Leon de Winter. Duidelijke schrijverspersoonlijkheden, die geregeld op televisie verschijnen en hun mening uitventen. Er lijken zich echter de laatste jaren verschuivingen daarin voor te doen. Sommige schrijvers krijgen geen gestalte. Er zijn veelgelezen schrijvers van wie het portret geen nationaal icoon is geworden. Stefan Breys bijvoorbeeld: veelgelezen maar ik heb niet voor ogen hoe hij eruit ziet. Dimitri Verhulst schrijft knappe intrigerende boeken, Mustafa Stitou behaalt de ene na de andere poëzieprijs, maar ik zou hen op straat niet herkennen. Suzanna Jansen, die met Het Pauperparadijs onverwachts een bestseller schreef: haar gezicht is geen openbaar bezit. Van de jonge schrijvers is Grunberg de grote uitzondering. Hij heeft een echt ouderwetse schrijverspersoonlijkheid, en staat voortdurend in de belangstelling.

Waaruit blijkt dat hij in de

belangstelling staat? Grunberg bespeelt de media door steeds weer te verrassen. Niet op een prijsuitreiking komen zoals hij doet, levert meer publiciteit op dan wel komen. Ruziemaken, kortdurende tournees, reclamespotjes, hij gebruikt alles behalve dat waar de meeste schrijvers op wachten: goede recensies van hoogaangeslagen critici. Die schrijvers beseffen namelijk niet voldoende dat recensenten hun spilfunctie hebben verloren. Er waren tijden dat Kees Fens, Carel Peeters en K.L. Poll de dienst uitmaakten. Wat die schreven had zo ongeveer de betekenis van de zondagspreek in de kerk. Ik zou nu geen criticus meer weten die een dergelijke reputatie heeft als deze drie hadden. De media die er toe doen zijn ongeveer dezelfde gebleven: de Volkskrant, nrc-Handelsblad, Vrij Nederland, De Groene en Trouw, maar een criticus die echt een boek kan maken of breken bestaat niet meer. De literaire tijdschriften staan ook in de marge. De tijd dat De Gids de ‘blauwe beul’ genoemd werd vanwege zijn heftige kritiek, de tijd dat De Revisor gespeld werd om de diepgaande interviews met schrijvers, dat Bzzlletin themanummers over oude literatuur uitgaf, dat Hollands Diep vrolijke achtergrondinformatie verzorgde, is helemaal voorbij. Televisie- en radioprogramma’s hebben evenmin nog veel invloed. Alleen de uitreiking van literaire prijzen trekt kijkers, vanwege het wedstrijdkarakter.

Waar vinden dan eigenlijk de discussies over literatuur plaats? Natuurlijk vooral in het café, maar ook in de talloze leesclubjes die er in Nederland zijn en die ongelooflijk belangrijk zijn geworden. De reputatie van een schrijver kan tegenwoordig via het mondelinge circuit van de leesclubjes hoog stijgen. John moet dus, als hij mee wil doen, lid worden van zo’n leesclubje. Het zal hem dan opvallen dat de meeste leden boven de vijftig en vrouw zijn, goed gebekt en leesgraag, en dat die inderdaad geen onderscheid maken tussen vertaalde en oorspronkelijk Nederlandse boeken.

De boekwinkels maken veel meer

de dienst uit dan vroeger. Boekwinkels zijn literaire centra geworden, die met opvallende etalages, met lezingen en speciale websites de mening beïnvloeden. Ook de bibliotheken zijn daaraan gaan meedoen. Er bestaan geen bibliotheken meer waar niet geregeld een schrijver uitgenodigd wordt om voor te lezen. De plaatselijke boekhandelaar heeft dan een tafeltje om boeken te verkopen, geheel in strijd met het idee dat de bibliotheek er is om boeken van te lenen.

John moet ook weten welke uitgevers bij de ware literatuur horen. De Bezige Bij, Nieuw Amsterdam, Querido en nog een stuk of vier beheersen de literaire markt. Zij bepalen wat wel, wat niet wordt uitgegeven, welke schrijver een voorkeursbehandeling krijgt, welke marginaal blijft. Wie krijgt een advertentie op de voorpagina? Wiens werk wordt in het buitenland ter vertaling aangeboden? Als er een nieuw boek van Jan Cremer bij De Bezige Bij uitkomt, gaan er mansgrote portretten naar de winkels als promotiemateriaal, als er een nieuwe dichtbundel van Ramsey Nasr uitkomt nog geen ansichtkaart. Wellicht verandert dat nu hij Dichter des Vaderlands is geworden.

Nu weet John nog niets van het verband tussen schrijvers en de staat. Hij zal er zich over verbazen dat er in Nederland een organisatie bestaat die schrijvers een salaris geeft, zodat ze zorgeloos door kunnen schrijven. Dat is nergens ter wereld zo. Wie er niet in slaagt om te leven van zijn pen, kan proberen in aanmerking te komen voor een toelage van het Fonds voor de Letteren. Strenge commissies oordelen dan over het peil van het werk, en als dat hoog genoeg ingeschat wordt, kan de schrijver een staatssalaris krijgen dat te vergelijken is met dat van een leraar.

John weet ook nog niet

van het mondelinge circuit van literatuur. Er is een voordrachtscultuur ontstaan die de hele natie omvat. Op het bureau van de Stichting Schrijvers School Samenleving werken ettelijke functionarissen om bij te houden wie waar wanneer optreedt. Wie wil kan elke dag wel enkele schrijvers horen voorlezen. ’s Morgens Abdelkader Benali voor een school in Purmerend, ’s middags Maria Stahlie voor een bibliotheek in Rijswijk, ’s avonds Jules Deelder in een klein theater. Maar nog veel uitgebreider is het circuit op internet. Niet alleen zijn er enkele dichters die poëzie op het internet publiceren (Tonnus Oosterhoff), de hele natie kan haar producten daar kwijt, en er wordt massaal gebruik van gemaakt. Er is wel eens onderzocht wie er in Nederland literaire ambities heeft: het bleek dat 1 miljoen Nederlanders bezig zijn een boek te schrijven…