'Ik voer oppositie vanuit mijn rijtjeshuis'

‘Het was zeven uur ’s ochtends, 7 april 1994. Plotseling ging de telefoon. Een kennis van me, journalist, belde om te vertellen dat de president van Rwanda was vermoord. Het vliegtuig waar hij in zat, was uit de lucht geschoten. Ik was op dat moment in Den Haag, op bezoek bij een nichtje dat net weduwe was geworden. Ik zette de televisie aan en zag de gruwelijke beelden. Er was een volkerenmoord begonnen in mijn land, maar ik weigerde het te geloven. Ik dacht: dit kan Rwanda niet zijn, ze hebben een vergissing gemaakt.

Tevergeefs probeerde ik mijn familieleden in Rwanda te bellen. Pas twee dagen later kreeg ik contact met mijn man. Hij zei: ‘Je broer is vermoord. Alle onze buren zijn vermoord.’ We belden daarna elke dag. Totdat hij middenin een gesprek zei: ‘Ik hoor mensen aankomen. Ik moet me verstoppen’. Dat was het laatste dat ik van hem hoorde.

Wat volgde waren de zwaarste maanden van mijn leven. Ik wist dat er in Rwanda een grote moordpartij aan de gang was, maar ik kon er niet achter komen of mijn familie nog leefde. Het enige wat ik had, was de televisie. Elke keer als ze beelden van Rwanda uitzonden, tuurde ik naar het scherm om te zien of ik mijn man of mijn twee kinderen tussen de lijken zag liggen. Ik gaf de hoop op. Ik dacht: als mijn man nog in leven is, zou hij mij bellen.

In augustus kwam het telefoontje waar ik niet meer op had durven hopen. Het was mijn man. Hij had mij niet kunnen bellen, omdat alle telefoonlijnen kapot waren. Hij vertelde me dat hij gevlucht was en samen met onze kinderen in een vluchtelingenkamp in Goma zat. Hij had twee dagen in de rij gestaan om mij te kunnen bellen. De omstandigheden waren erg slecht. Mijn zoontje van twee had cholera en het was niet zeker of hij het zou overleven.

Ik bad tot God: ‘Gun het mij alstublieft om mijn kind nog één keer vast te houden’ en zette alles in het werk om mijn man en kinderen naar Nederland te krijgen. Het was een helse klus. Mijn man was gevlucht zonder iets mee te nemen en had geen paspoort. Bovendien kon hij mij niet precies vertellen waar hij was. Hij had geen vast onderdak en het was niet mogelijk om regelmatig te bellen. Hoe konden we hem vinden tussen die honderdduizenden vluchtelingen? Een journalist van de KRO, Peter Tetteroo, die naar Goma ging om verslag te doen, is naar hem op zoek gegaan. Hij heeft hem uiteindelijk gevonden via Artsen zonder Grenzen.

Toen mijn gezin aankwam op Schiphol kon ik het niet geloven. Mijn zoon was heel zwak, maar hij had het overleefd. Ik was ongelofelijk blij, maar voelde me ook schuldig. Zij waren door een hel gegaan, ik had bij hen moeten zijn. Ook dacht ik aan al die andere Rwandese vluchtelingen. Tegen een verslaggever die vroeg hoe ik me voelde, zei ik: ‘Ik ben pas ècht blij als alle Rwandese vluchtelingen terug kunnen’. Dat is tot op de dag van vandaag niet het geval. Er leven nog 300.000 Rwandese vluchtelingen onder erbarmelijke omstandigheden in kampen in de buurlanden.

Mijn man en ik dachten dat we snel terug zouden gaan naar Rwanda, maar onze advocaat zei: vraag maar asiel aan, want de situatie verbetert voorlopig niet. Dus moesten we accepteren dat we alles kwijt waren en opnieuw moesten beginnen. Het was wennen in Nederland. De taal, met die harde g’s, vonden we vreemd en ik weet nog dat we voor het eerst vrieskou meemaakten. Mijn man riep in paniek: Niemand mag naar buiten! Het is kouder dan in een ijskast! Tot onze stomme verbazing zagen we dat de Nederlanders gewoon naar buiten gingen.

In november 1995 kregen we een verblijfsvergunning en gingen we in Zevenhuizen wonen, een dorpje in Zuid-Holland. Daar wonen we nog steeds. In Rwanda was mijn man dierenarts geweest en wij dachten dat hij makkelijk aan de slag zou kunnen – er zijn zoveel koeien in Nederland. Maar Rwandese diploma’s worden niet erkend in Nederland. Dus ging hij bij een metaalbedrijf aan de slag.

Ik had in Rwanda als boekhouder gewerkt voor het ministerie van financiën en besloot economie te gaan studeren in Rotterdam. Dat was heel zwaar: ik sprak de taal nauwelijks en alles ging met computers. Terwijl ik niet eens wist op welke knop ik moest drukken om zo’n ding aan te zetten.

Na mijn studie vond ik een baan als administrateur bij een groot bedrijf. Maar het lot van mijn landgenoten liet mij niet los. Ik wist van mijn man hoe vreselijk de omstandigheden in de vluchtelingenkampen waren. We hebben toen een organisatie opgericht, CODAC, om de mensen in de kampen te helpen. We zamelden geld en kleren in. Heel Zevenhuizen kwam met kleren aanzetten, onze schuur lag vol! Via het Rode Kruis stuurden we alles naar Goma.

Maar dat was niet genoeg voor mij. Ik wilde dat er een definitieve oplossing zou komen voor de Rwandese vluchtelingen en daar sprak ik Nederlandse politici op aan. Maar die zeiden: dat is een politiek vraagstuk en daar moeten jullie je als humanitaire organisatie niet mee bezighouden. Toen dacht ik: dan ga ik de politiek in, dan kan ik me daar wel mee bezig houden. Ik sloot me aan bij de Rwandese oppositiepartij RDR. Al snel werd ik voorzitter van de Nederlandse afdeling en vervolgens internationaal voorzitter. In 2005 verenigden alle Rwandese oppositiepartijen zich in de United Democratic Forces (UDF) en ze kozen mij tot hun leider. Omdat Rwanda een dictatuur is, moet de oppositie vanuit het buitenland opereren. Ik voer oppositie tegen Paul Kagame vanuit mijn rijtjeswoning in een Zuid-Hollands dorpje.

In 2008 waren er in Rwanda parlementaire verkiezingen. We hoopten dat dat de situatie zou veranderen. Maar het liep uit op een bittere teleurstelling. De verkiezingen verliepen niet democratisch. Toen besloten we: als we echt iets willen veranderen, moeten we meedoen aan de presidentsverkiezingen. Als alles goed gaat, hebben die plaats in 2010, als het mandaat van Kagame afloopt.

Ik stel me kandidaat voor het presidentschap van Rwanda. Dat klinkt misschien als een wild plan, maar ik heb een goede uitgangspositie. Omdat ik tijdens de genocide niet in Rwanda was, sta ik buiten het conflict. Ik praat bovendien met iedereen. Ik ben een Hutu, maar ik heb goede contacten met Tutsi’s die vinden dat het tijd is voor verandering. Dat ik een vrouw ben, is prima. Rwanda heeft genoeg ervaring met vrouwelijke politici. Mijn man steunt mij door dik en dun. Sterker nog, ik denk dat ik zonder hem nooit zo ver was gekomen. Want hij heeft het allemaal meegemaakt, zijn vader en zijn drie broers zijn vermoord door handlangers van Kagame. Hij weet als geen ander dat er iets moet veranderen.

Kagame heeft vuile handen gemaakt tijdens de genocide en gaat daar gewoon mee door: zijn tegenstanders laat hij vermoorden. Hij heeft de Rwandezen verboden nog langer over Hutu’s en Tutsi’s te praten. We zijn allemaal Rwandezen, zegt hij. Maar je kunt niet ontkennen dat er verschillen zijn en dat de haat nog steeds voortleeft.

Ik weet dat het presidentschap van een verscheurd land als Rwanda een zware taak is. Maar ik hoef het niet in mijn eentje op te knappen. Er zijn veel mensen die mij steunen. Ik ben in Rwanda regelmatig op de radio via de BBC en de Voice of Amerika en dan zeg ik openlijk wat ik van de situatie vind. Als ik een tijdje niet op de radio ben geweest, zeggen de mensen: ‘Waar blijft Victoire? Zij durft onze problemen te benoemen!’

Op een gegeven moment ben ik gebeld door een Rwandese jongeman die ik niet kende. Hij vertelde mij dat zijn dorp geld had ingezameld zodat hij naar een buurland kon reizen waar hij mij kon bellen zonder te worden afgeluisterd. Hij zei: ‘Wanneer komt u naar Rwanda om ons land te helpen? We hebben u nodig.’

Dat telefoongesprek raakte me diep. Ik dacht: deze mensen geloven dat ik iets kan betekenen. Zij hebben hun hoop op mij gevestigd, ik moet terug naar Rwanda. Om mijn terugkeer goed voor te bereiden, ben ik eerst met politici in Engeland, Nederland en België gaan praten om hun steun te vragen voor het democratische proces in Rwanda. Die landen zijn belangrijke ontwikkelingspartners van Rwanda en zij kunnen druk uitoefenen op Kagame om eerlijke verkiezingen te houden. In november ben ik naar de Verenigde Staten gereisd om met Obama te praten, die toen nog presidentskandidaat was.

Over een paar maanden is het zover. Dan ga ik na vijftien jaar terug naar mijn land. Kagame heeft tegen de media gezegd dat ik welkom ben, maar er kan natuurlijk van alles gebeuren. Misschien laten ze mij met rust, maar pakken ze mijn aanhangers.

Als ik terug ben in Rwanda, ga ik rustig kijken hoe de situatie is en dan stap voor stap de verkiezingscampagne voorbereiden. Maar het allereerste wat ik ga doen, is mijn broer begraven. Nadat hij was vermoord, hebben ze hem snel onder de grond gelegd. Ik vind dat een vreselijke gedachte. Misschien spelen er wel kinderen op die plek. Pas als hij netjes begraven is in een echt graf, heb ik rust. Dan kan ik beginnen met bouwen.’

Renate van der Zee