Herstelplan voor de pensioenen: spel met nieten

Net zoals particuliere beleggers hebben bestuurders van veel pensioenfondsen het op dit moment Spaans benauwd. Hoe lang zal het bloedbad op de beurzen nog voortduren? Pensioenfondsen – die gemiddeld de helft van hun vermogen in aandelen hebben gestoken – zien de waarde van deze beleggingen bijna dagelijks dieper kelderen. De deelnemers – werknemers die bij het pensioenfonds hun pensioenaanspraak opbouwen en gepensioneerden die voor hun levensstandaard in hoge mate van hun aanvullend pensioen afhankelijk zijn – tonen zich steeds meer verontrust. Met reden. Tegenover elke euro pensioen die aan de werknemers en de gepensioneerden is toegezegd, beschikken de fondsen op dit moment dooreen genomen nog slechts over 85 cent vermogen.

Dit blijkt uit de dekkingsgraad: de vergelijking tussen het aanwezige vermogen en alle toekomstige verplichtingen. Zijn vermogen en verplichtingen van een fonds aan elkaar gelijk, dan bedraagt de dekkingsgraad 100 procent. De beurskoersen bepalen de waarde van een groot deel van het vermogen.

De omvang van de verplichtingen hangt in hoge mate af van de rentestand. Bij een lage rente (nu ongeveer 4 procent) hebben pensioenfondsen anno 2009 meer geld nodig om in latere jaren alle pensioenen te kunnen betalen. Door de combinatie van dalende beurskoeren en – nog belangrijker – een inzakkende rente ligt de gemiddelde dekkingsgraad op dit moment in de buurt van de 85 procent.

Anders gezegd, wanneer een doorsnee fonds zou stoppen en zijn beleggingen liquideren, krijgen de deelnemers slechts 85 procent van hun opgebouwde aanspraken uitgekeerd. Meer geld is er niet. Voor individuele deelnemers kan het pensioenverlies stevig in de papieren lopen. Een hogere ambtenaar van 55 jaar die dertig jaar bij de overheid heeft gewerkt en nu bruto 60.000 euro per jaar verdient, heeft inmiddels een pensioenaanspraak opgebouwd die 200.000 euro waard is. Hij zou daarvan slechts 170.000 euro meekrijgen. Dertigduizend euro is in rook opgegaan.

Gelukkig voor alle betrokkenen hoeven de pensioenuitvoerders niet op slag en stoot te liquideren. Zij kunnen dit jaar de lopende uitkeringen (ruim 20 miljard euro) nog altijd gemakkelijk betalen uit de door werkgevers en werknemers afgedragen premies (25 miljard). Maar neemt het fondsbestuur geen maatregelen, dan worden de werkenden sluipend onteigend. Als de premie die hun werkgever maandelijks namens hen stort aan de gepensioneerden wordt uitgekeerd, kan het fonds onvoldoende beleggen voor werknemers die nu nog sparen voor hun eigen latere pensioen. Om orde op zaken te stellen zijn drastische maatregelen dus onvermijdelijk.

Minister Donner (Sociale Zaken en Werkgelegenheid, CDA) heeft de pensioenfondsen vijf jaar de tijd gegeven om hun dekkingsgraad op te krikken tot de minimaal door de wet vereiste 105 procent. Gerekend vanaf de huidige dekkingsgraad van 85 procent moeten de fondsen samen een vermogenstekort van ruwweg 100 miljard euro goedmaken. Het wordt een krachtproef om dat binnen vijf jaar voor elkaar te krijgen. Voor het eind van deze maand moeten de fondsen een herstelplan indienen bij De Nederlandsche Bank (DNB), die is belast met het toezicht op de sector.

De bedenkers van het herstelplan kunnen gokken op een stijging van de rente. Gaat de rente waarmee het fonds van de toezichthouder moet rekenen in de komende jaren bijvoorbeeld omhoog van 4 naar 5 procent, dan verbetert de dekkingsgraad in één klap met circa 15 punten. Want dan is op dit moment minder geld nodig is om alle toekomstige verplichtingen te kunnen honoreren. De nu aanwezige euro’s groeien immers sneller aan, met 5 in plaats van met 4 procent per jaar.

De kans dat de rente oploopt is echter niet groot. Centrale banken houden de korte rente laag om de depressie te bestrijden. De lange rente wordt bepaald door de vraag naar krediet en het aanbod van spaargeld. Een ruim aanbod van besparingen drukt de rente. Gezinnen en bedrijven zullen de komende jaren proberen hun schulden terug te brengen door extra te sparen. Omdat de hele wereld bezig is zijn schulden af te lossen, is de kans gering dat de lange rente zal stijgen. DNB zal dus niet veel betekenis hechten aan herstelplannen die voorzien in een forse verbetering van de dekkingsgraad dank zij een hogere rente.

Dan blijven slechts twee mogelijkheden over. Om de aangetaste dekkingsgraad op te voeren moeten pensioenfondsen de premies verhogen of de uitkeringen bevriezen. In het ergste geval zullen zij er zelfs niet aan kunnen ontkomen de uitkeringen door ‘afstempeling’ te verlagen. Op dit moment stort een aantal bedrijven al premie bij, omdat het pensioenreglement hen daartoe verplicht. Premieverhogingen zijn schadelijk voor het bedrijfsleven dat zware tijden doormaakt, doordat de afzet is ingestort.

Verder hebben de meeste pensioenfondsen dit jaar al afgezien van verhoging van de lopende uitkeringen. Veel herstelplannen zullen straks gewag maken van voortgezette bevriezing of zelfs verlaging van de uitkeringen. Deze ingrepen raken niet alleen de gepensioneerden, maar even hard de werknemers, van wie – bij de gangbare pensioenregelingen – de pensioengrondslag dan eveneens wordt bevroren of verlaagd. Nog ingrijpender maatregelen, zoals een geleidelijke verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd, zijn eerst op lange termijn effectief en stuiten vooralsnog op veel maatschappelijke weerstand.