Geitenmelk en megakrabben

Merkwaardige bomen en bizarre landschappen genoeg, maar nauwelijks voorzieningen voor de toerist. En dat moet vooral zo blijven, vinden de vrienden van het geïsoleerde Socotra.

Het middelgebergte van Haghier Foto’s Nico te Laak
Het middelgebergte van Haghier Foto’s Nico te Laak Laak, Nico te

Dat het eiland Socotra op een tropische breedtegraad ligt, is hierboven even niet te voelen. Flarden kille oceaanmist krullen zich rond grillige bergtoppen. Een half gevuld blikje geitenmelk hangt aan een boomtak boven een nog smeulend vuurtje, nabij een laag hutje, opgebouwd uit stukken rots. Verder geen spoor van menselijke aanwezigheid in de Haghier, een middelgebergte begiftigd met onbereikbare kliffen en verticale bergwanden waarop de vreemdsoortige vegetatie kennelijk zonder moeite wortelschiet. „Misschien dat ze een bruiloft hebben en naar beneden zijn”, oppert gids Sa’ad, net terug van een vergeefse zoektocht naar extra dekens, een dalletje verderop. Dan schuift de zon achter de pieken, gaan de luid tsjilpende Socotraanse musjes op stok en heersen ineens absolute stilte en verlatenheid. Totdat Sa’ad devoot de gebedsoproep aanheft in het alpine decor, mysterieus bijgelicht door de volle maan. Bibberend kruipen we na het avondgebed het hutje in, hullen ons in schurftige dekens en drinken een kop thee met geitenmelk. De geit zelf komt ons even later gezelschap houden. Lekker warm.

Socotra meet honderdvijftig bij veertig kilometer en telt rond de vijftigduizend Socotranen. De afstand tot moederland Jemen is vierhonderd kilometer, het puntje van Somalië is ongeveer half zo ver. „We willen geen Somaliërs hier”, foetert gids Wajdbi in eilandhoofstad Hadibo, turend over de golven die eindeloos aan komen rollen. „Laatst hebben Somalische piraten de dieselboot gekaapt. Zaten we drie weken lang zonder stroom en benzine!” Behalve de lucratieve handel in uitzonderlijke Socotraanse wierooksoorten was er nooit veel contact met de vastelanden van Arabië en Afrika. De Portugezen kwamen in de zestiende eeuw even langs, Britten voerden er drie eeuwen later de scepter en een enkele verroeste Russische tank herinnert aan de kortstondige periode dat Socotra achter het IJzeren Gordijn schoof. Afgezien van die incidenten bleef Socotra onaangeroerd, al was het alleen maar door de moessonwinden die het eiland vier van de twaalf maanden onbereikbaar maken. Een isolement dat Socotra heeft gemaakt tot ‘het Galapagos van de Indische Oceaan’: een walhalla voor biologen, botanici en ornithologen. Van de ruim achthonderd plantensoorten is eenderde uniek, van de kleinere zeediertjes zelfs negen op de tien. Van de ruim honderd vogelsoorten zijn er zeventien die alleen op Socotra voorkomen.

Maar Socotra kan ook gewone mensen boeien. Het is 05.45 uur en de dag gloort. Hoog tijd de tocht van noord naar zuid voort te zetten. Vandaag niet zoals gisteren louter verticaal omhoog, maar geleidelijk van ruim vijftienhonderd meter terug naar zeeniveau. De eerste uren betekent dat lopen door een landschap waar een dinosaurus thuishoort, met een pterodactylus boven zijn hoofd. De bodem is van platen pukkelig staalsteen zo ver het oog reikt; kling, klang, echoot elke voetstap. Op die keiharde bodem groeien bomen in vormen die de werkelijkheidszin tarten: dikke drakenbloedbomen van soms duizenden jaren oud, woestijnrozen kort en dik als regentonnen en parasolbomen waarvan gids Sa’ad takjes plukt om zijn tanden te poetsen. En elke heuvel weer verandert het decor. Nog een heuvel verder staan we ineens op het door dadelpalmen omzoomde erf van de tante van Sa’ad. Er wordt geneusd en begroet met een dialoog in staccato socotraans. De buitenlanders krijgen een hand en het gehele gezelschap rijst met zure melk. „Twee”, luidt het antwoord op de vraag hoeveel toeristen ongeveer jaarlijks het erf van tante passeren. „Zonder vlees zul je uiteindelijk sterven”, gebaart tante middels een snijdende hand over de keel, als de buitenlanders de geit gedecideerd afslaan.

Op het strand van Aomak wordt het vermoeide gezelschap hartelijk ontvangen met bewonderende woorden, een flinke schaal geurende rijst, ijskoud water en een frisse watermeloen. Reisorganisator, tolk, ingenieur en algemeen regelaar op Socotra Thabet Khamis tovert een tentje tevoorschijn dat hij met de losse hand op de smetteloos witte duinen gooit. Thabet heeft zelf zijn uitgebreide familie meegenomen voor een weekendje Aomak, het strand aan de zuidkust. Kinderen rollen van de zandduinen, vaders wandelen gewichtig over het strand, moeders keuvelen in een open hut van palmbladeren. Verderop nog wat palmhutjes, rond een enkel gebouw van grijs gasbeton. Daarin een hurktoilet, met erboven wiebelende waterleidingen die in een douchekop eindigen. Meer ontwikkeling mag niet, vertelt Thabet Khamis, van de parkautoriteiten. Die voeren een streng bewind op Socotra, omdat ze de geldstroom aan donordollars beheren. Socotra mag onder geen beding ten prooi vallen aan het massatoerisme, daarvoor is het te waardevol en te kwetsbaar. Na jarenlang gelobby van een invloedrijke groep botanici en biologen genaamd ‘friends of Socotra’ riep de Unesco het eiland vorig jaar uit tot werelderfgoed.

Paradijselijke stranden genoeg langs de ruim vierhonderd kilometers Socotraanse kust. Met golven waarop je in de zomermaanden ongeëvenaard schijnt te kunnen surfen. Met koraalriffen waar je naar verluidt elke dag van het jaar hemels kan snorkelen en duiken. Maar dat wordt allemaal zorgvuldig ontoegankelijk gehouden. In eilandhoofdstad Hadibo vinden reizigers de enige stenen accommodatie op het eiland. Vier hotels huisvesten de pakweg vijfduizend jaarlijkse bezoekers aan Socotra. De Brit Phil Haines, touroperator naar ongebruikelijke bestemmingen, was in 2001 de eerste die een reis mocht organiseren naar Socotra. „Voor een groep botanici die zich al decennialang hadden voorbereid op die reis. Ze kenden alle plantjes, alle bomen, en alle hoeken en gaten van Socotra uit de boeken. Als kinderen zo blij waren ze alles eindelijk in het echt te zien.” Maar inmiddels, treurt Haines, lijkt het tijdperk van de gewone toerist aangebroken: „De 4x4 Toyota’s rijden de Italiaanse toeristen ’s ochtends naar het strand en ’s avonds keurig terug.” Maak alsjeblieft geen reclame voor Socotra, meldt ook de Schotse botanicus Frazer Henderson. „Die paar duizend toeristen van nu kan Socotra eigenlijk al niet aan.”

De voorlaatste dag rijden we naar Ditwah, het westelijkste puntje van Socotra, in de taxi van Abdulhamid, zonder remmen en met een halfluisterend stuur. De tocht voert door alweer indrukwekkender landschappen. Links soms een vissersdorpje, rechts niets dan eindeloos land met struikjes die als ballerina’s buigen in de wind. Dan rijdt Abdulhamid ineens over een duinenrij heen bijna de oceaan in. Ditwah is wetland en beschermd natuurgebied. Rennende krabbetjes schuimen samen met strandlopertjes de kustlijn af. In het lage water zoeken wulpen naar voedsel, even verder duiken wolken visdiefjes als raketten de zee in. Twee vissers trekken met hun kapotte netten prachtige megakrabben uit het steeds lager zakkende water. „Vijfhonderd riyaal (2 euro), dan zijn ze van u.” Even verder rijgen twee jongens twaalf pijlstaartroggen aan hun van betonijzer vervaardigde harpoen. De jongens blijken studenten van een gepensioneerd Australisch echtpaar dat via een taalschooltje het woord van Jezus aan de Socotraanse man proberen te brengen. „Als ze vragen: bid je tot God, dan zeg ik: Nee, tot Isa. En dan vertel ik over Jezus. Er is een hoop belangstelling voor”, denkt de Australiër.

Op het strand heeft de parkdirectie een soort kampeerplaatsje aangelegd. Vanuit een palmenhutje wordt thee aangedragen naar een bont gezelschap wereldreizigers. Een clubje Polen rent blootsvoets het wad op. Een drietal dames uit Singapore vraagt om kokend water voor de gedroogde noodles waarmee hun rugzak vol blijkt te zitten. Een Canadees vertelt dat hij na Socotra nog maar drie landen hoeft, dan is hij overal ter wereld geweest.

Het zal Abdallah Adib een zorg zijn. Die runt sinds vorig jaar een strandhotelletje even voorbij hoofdstad Hadibu. Vlak naast de botanische tuin waar Abdallahs vader, zus en broer met zorg en liefde werken aan de overleving van de unieke Socotraanse flora. Wat tenten onder een dak van palmbomen en nog vier, vijf hutjes van palmtakken, met daarin een brits omhuld door een klamboe. Meer heeft de reiziger eigenlijk ook niet nodig. De zee, de kalmte, de sterrenhemel en de warmte van Abdallah doen de rest. En zijn voedsel, want koken en eten doet Abdallah het liefst. „Dinner? Lunch?”, klinkt het steevast wanneer de gasten terugkeren van de expedities. Volgt een ja, dan kan zoonlief weer naar de vissers verderop gestuurd worden, want vis is dagelijkse kost. Dan klinkt instemmend gemompel vanachter een afscheidinkje in het eethuisje. Abdallah maakt de porties namelijk zo omvangrijk dat meer dan de helft weer terug kan naar de keuken, waar de rest van de familie wacht. Ach, zolang zijn gasten maar tammam, tevreden zijn. „You tammam”, zegt Abdallah, „Abdallah tammam!”