Geboren tussen tralies

De Boekenweek, die 11 maart begint, staat in het teken van ‘De literaire zoo’. Gerrit Komrij schreef een verhandeling over dit thema. En fotograaf Krijn van Noordwijk portretteerde vijf ‘goddelijke’ dieren.

Dichters als zwanen en nachtegalen, recensenten als ratten en gieren – van hoog tot laag bevolken de dieren de literaire dierentuin. Van verheven vluchten tot verachtelijk gekruip, met de steltlopers daartussen. Vergeet de buideldieren niet, ook uitgevers genaamd.

Denk ik aan een aap, dan denk ik onmiddellijk aan een schrijver. Denk ik aan een mug, idem dito. Denk ik aan een sfinx, idem dito. De schrijverswereld voorziet in alle monsters, parasieten en fabeldieren.

Je hebt de gevaarlijke soorten en je hebt de strikt onschadelijke soorten. Soorten met klauwen en soorten met sprieten. Dinosaurussen en eendagsvliegen.

’t Is allemaal prachtige beeldspraak, maar het probleem is dat ik bij alle dieren die ik noem, niet één uitgezonderd, mijn dubbelloopsgeweer wil thuislaten, terwijl ik die wens bij de schrijvers niet heb. De manier waarop schrijvers kwaken, kwekken, sissen, keffen en tjilpen... Bloeddorstige neigingen vallen daarbij zelden te onderdrukken.

Ineens schiet me te binnen dat ik de schrijverswereld in een beeldsprakerige bevlieging al eerder met een dierentuin heb vergeleken.

Ik zoek het op.

En jawel.

Daar zijn ze, in één boek bij elkaar – het pauwenhok, het varkenskot, de slangenkuil, de apenrots, het reptielenpark, het spinnenweb, de olifantenkraal, de kikkerpoel, het vlooientheater en het rariteitenkabinet. De bewoners van al die afdelingen worden in ’t boek met name genoemd, namen die ik hier niet wil herhalen, maar in het pauwenhok huizen in elk geval onze denkbeeldige Nobelprijswinnaars en in het vlooientheater hokt het klein grut bijeen. In de slangenkuil loeren de mierenneukers en de muggenzifters, alias onze ratten en gieren.

De titel van dit als dierentuin geconstrueerde boek luidt Lood en hagel. Ah, daar is het dubbelloopsgeweer.

Dieren zijn heilig, maar hun equivalenten in de literatuur zijn vogelvrij. Gekooide schietschijven. Drie kogels voor een cent.

Je hebt de hogere schrijvers, de barden die kwelen en langs de hemel scheren. Pang. Je hebt de lagere schrijvers, de tekstleveranciers die knorren en aldoor baren. Pang. Wat daartussen zit is nog erger. Het leger van de herkauwers, kameleons, kwispelstaarters, grauwe muizen en brave ezels. Pang, pang.

Vergeefs zoek je naar de zebra. Vergeefs zoek je naar de koningsarend.

Naar de uil van de wijsheid. Naar de leeuw die brult als wij slapen.

Mussenperspectief

’t Is mooi als de schrijver hoog inzet. Ik begrijp dat hij de sterkste en de goddelijkste wil zijn. Maar, helaas, hij blijft tot de schrijvers behoren. Hij is geen zelfbenoemde jager, schutter of dierenoppasser. Hij maakt ook zelf deel uit van de fauna. Hij moet tot het nederige besef geraken dat hij er een mussenperspectief op nahoudt, een muizenperspectief. Hij zit er zelf in, in z’n dierentuin.

Ik verbeeld me naar het dierencircus van de schrijvers te kijken, maar ik moet inzien dat ik zelf in een kooi zit. Of in een kuil. Of in een poel.

Ik ken geen natuurlijk idee dan me zelf een leeuw, een koningsarend of desnoods een brulaap te voelen. De afstand tussen mij en mijn biotoop versterkt dat idee. Ik verbeeld me dat ik er vanuit een ver buitenland naar kijk, maar er is geen ontkomen aan. Ik zit in mijn buitenland in een buitenkooi. Of in een buitenkuil. Of in een buitenpoel.

Ik ben geboren tussen de tralies.

Zolang iemand aan een taal vastzit zit hij vast aan de literatuur in die taal. Aan een taal en een literatuur met een eigen geschiedenis en met eigen verwijspatronen. Met eigen open deuren.

’t Staat me vrij me te blijven verbeelden dat ik in een vergulde kooi zit. Ik kan me blijven verbeelden dat ik op het hoogste punt van de apenrots troon. Maar ik zit in de dierentuin, met al die andere literaire types.

’t Arsenaal van dierenvergelijkingen kunnen we evengoed toepassen op de politiek, al zullen we daar nooit zwanen of nachtegalen aantreffen, alleen een overpopulatie aan dikhuiden. We kunnen de beestenwereld gebruiken om onze zangers en zangeresjes te rubriceren. Ook nergens nachtegalen. Voorts komen we een overvloed aan ratten en ezels en bavianen tegen in de televisiewereld, waarin we net als in het literatuurreservaat tot jankens toe dezelfde rariteiten zien voorbijtrekken, met steeds dezelfde kunstjes. Groepjes die op elkaar steunen en zichzelf in stand houden, terwijl zelfs de herinnering aan een dompteur is weggevaagd.

Je krijgt medelijden met de gekooiden en met hun tredmolen. Je gaat als vanzelf denken dat hun wereld de enige is.

En toch. En toch.

Toch koester je de hoop dat de literaire dierentuin anders in elkaar zit dan de politieke of die van het amusement. Je weet bijna zeker dat er leven schuilt tussen al die verschijningen op sterk water daar. Wat je in de literatuur op de been houdt is de hoop. Ik heb vanaf het begin de literatuur als een kooi ervaren, zonder één moment de mogelijkheid te vergeten dat de mus in me kan gaan klapwieken. Dat de muis in me in staat zal blijken te brullen.

Op een dag zullen de tralies worden verbroken en opnieuw zal een schrijver over zijn schouder terugkijken op de dierentuin, het jachtgeweer over de andere schouder.

De wijde wereld in.

Niet meer dan een handjevol schrijvers overkomt dit.