Fluitketelkunst

Fluitketels Foto De Graaf
Fluitketels Foto De Graaf De Graaf

Karel Knip

We vervolgen de expeditie in de keuken. We bezochten al de ijskast en het gasfornuis, we bekeken het stuk zeep, het zoutvaatje, de zandloper en de gasaansteker. Vandaag bestuderen we de fluitketel die hier op de foto staat. Hij komt van de Hema en het is niet moeders mooiste. Nee, het is eigenlijk een kreng van een ding. Hij gilt als een varken dat gekeeld wordt en heeft een essentiële veer in de dop die binnen de kortste keren doorrot. Maar hij kan een kunstje. Daarover straks.

Laten we eerst stilstaan bij de fluitketel an sich om gevoel te krijgen voor zijn wezen, zijn bedoelingen en zijn mogelijkheden. Het is niet per se nodig om zijn kunstje te kunnen begrijpen, maar aantrekkelijk omdat er zoveel valt af te leiden uit zijn verschijningsvorm. Als ergens vorm en functie hand in hand gaan, dan is het hier.

De fluitketel is voor het gevoel niet zo oud, maar wanneer hij precies verscheen is onbekend. Het is niet gelukt te achterhalen wie de fluitketel uitvond. Het begon er al mee dat gezocht werd met het trefwoord ‘singing teakettle’ dat Van Dale aanraadde. De juiste term is ‘whistling kettle’, of ook wel ‘whistling tea kettle’. Duitsers noemen hem een Flötenkessel en Fransen een bouilloire. Maar dit helpt de speurder geen zier, het eerste fluitketelpatent is onvindbaar.

Nu goed, er wordt hier en daar een zekere Chester Greenwood genoemd als uitvinder van de ‘wide bottom whistling kettle’. Het zou best kunnen dat hij het eerste patent had, hij bedacht ook de oorwarmer, de mechanische muizenval en de stalen grashark voor het gazon. Greenwood leefde van 1858 tot 1937, dan zou de fluitketel niet vóór 1875 bedacht zijn.

Wie van tijd tot tijd door de Ardennen wandelt, vindt op verscholen plaatsen onder donkere sparren stortplaatsen van keukengerei dat al wel een eeuw geleden moet zijn afgedankt. Geëmailleerde emmers, gietijzeren pannen, borden, kommen. Gecorrodeerde lepels en vorken. Kapotte flessen. En waterketels. De negentiende-eeuwse waterketel was nogal hoog, had een schenktuit die dicht bij de bodem begon, een ruime vuldeksel en een hengsel dat scharnierde. Soms was er een vast handvat aan de achterkant.

De schenktuit was smal en schonk daarom mooi, maar je kon er geen fluit op zetten. Hij stond immers vol water. De schenktuit van een fluitketel zit noodzakelijkerwijs hoog bovenop de ketel. Het moet verder aanvankelijk niet eenvoudig geweest zijn het bezit van een fluit te combineren met de aanwezigheid van een vuldeksel. De fluit is voor zijn werking afhankelijk van drukopbouw en die kan makkelijk te veel worden. Neem de proef op de som: de druk die nodig is om een losse fluitketelfluit tot fluiten te brengen is al gauw 10 cm waterdruk. Die oefent op een deksel van 10 cm diameter een kracht uit van 8 newton. Een losse deksel vliegt er af voor de fluit fluit. Er worden dus speciale eisen aan het vuldeksel gesteld om hem met een fluit te kunnen combineren.

Het is daarom de vraag of de eerste fluitketels wel vuldeksels hàdden. Oudere lezers herinneren zich dat oude fluitketels het bijna altijd zonder deden. En de Hema-ketel heeft er nog steeds geen.

Waar dit betoogje heen wil, is de conclusie dat de fluitketel pas verschijnen kon toen aluminium goedkoop genoeg was geworden om het voor keukengerei te gebruiken. Dat was pas na 1900. De dunne aluminium platen waren makkelijk te verwerken, je kon er zonder inspanning een vrijwel gesloten ketel van maken door er met een felstechniek een losse bodem in te zetten.

Er komt bij: misschien was er in de negentiende eeuw nog helemaal geen behoefte aan ketels met een fluit. De fluit kondigt weliswaar het koken van het water aan, maar hij had als voornaamste taak het droogkoken te voorkomen. De kans op droogkoken ontstond pas toen de waterketels aan zichzelf werden overgelaten en onbeheerd op het hete fornuis achterbleven. Dat was niks voor de negentiende eeuw. Lexicograaf Jaap Engelsman heeft het op verzoek uitgezocht: het woord ‘fluitketel’ werd in Nederland voor het eerst genoemd in Het Volk van 10 januari 1920 in een advertentie voor huishoudelijke artikelen. Het Volk had er een plaatje bij van een vreemd gevormd keteltje dat zo te zien inderdaad een losse bodem had. Of het van aluminium was wordt niet duidelijk. Maar blik zou toch al te snel roesten?

Van belang is dat fluitketels tot ver in de jaren tachtig van de afgelopen eeuw meestal van aluminium waren. Voor de specifieke taak, het koken van water, was dat ook een schitterend materiaal want aluminium geleidt de warmte erg goed. Wat later raakte, misschien ook door het vermeende verband tussen blootstelling aan aluminium en de ziekte van Alzheimer, roestvrij staal meer in gebruik. Maar dat geleidt de warmte eigenlijk heel slecht, zoals hier al eens eerder is besproken. Het komt geregeld voor dat het deel van de fluitketel dat zich boven de waterspiegel bevindt heter wordt dan het lagere deel. Dan sist zo’n ketel bij het uitschenken van kokend water.

De slechte warmtegeleiding van roestvrij staal is in deze rubriek misschien wat zwaar aangezet. Een vreemde nieuwe ontdekking is dat een fluitende roestvrijstalen fluitketel, zoals de Hema-ketel hierboven, onmiddellijk met fluiten stopt zodra men een koude spons tegen zijn bovenkant drukt. Nog vreemder is wat hij doet als het kokende water er is uitgegoten en hij direct daarna onder de koude kraan wordt gehouden. Dan begint-ie opnieuw te fluiten. Dat is de kunst die hierboven bedoeld werd.