Fil - dat is het Turkse woord voor olifant

Veel leidsters op Rotterdamse voor- en vroegscholen beheersen het Nederlands onvoldoende. Dus gaan ze op cursus.

Voorschool Het Kinderparadijs in Delfshaven, een Rotterdamse deelgemeente waar 60 procent van de bewoners van niet-westerse afkomst is. (Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen) Rotterdam, 06-03-09. Kinderen in het Kinderparadijs, zij moeten hun taalachterstand inlopen. Foto Leo van Velzen NrcHb.
Voorschool Het Kinderparadijs in Delfshaven, een Rotterdamse deelgemeente waar 60 procent van de bewoners van niet-westerse afkomst is. (Foto NRC Handelsblad, Leo van Velzen) Rotterdam, 06-03-09. Kinderen in het Kinderparadijs, zij moeten hun taalachterstand inlopen. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Peuterleidster Ramona George (29) is „geboren en getogen” in Rotterdam. Haar moeder komt uit Oostenrijk, haar vader uit Suriname. Dat er nog iets te verbeteren viel aan haar taalgebruik ligt niet dááraan, zegt ze. Thuis hoorde ze Nederlands. „Mijn opa zei altijd: nee, je gaat niet naar schol. Een schol is vis, je gaat naar school.”

George, peuterleidster bij voorschool Het Kinderparadijs in de Rotterdamse deelgemeente Delfshaven volgt met zo’n 45 collega’s een taalcursus. Ze heeft twee van de zeven lessen achter de rug. „Ik wist niet dat de enigste fout is, je moet de enige zeggen. Iedereen heeft punten die ze moeilijk vinden aan het Nederlands.” De meeste leidsters zijn blij met de cursus, zegt George, „ze willen het verschil leren tussen de, het en een.”

De dertien peuters die vandaag in de kring zitten hebben wortels in Angola, Frans-Guyana, Marokko, Nederland, Pakistan, Portugal, Suriname en Turkije. Ze eten fruit en een plakje ontbijtkoek. „Wat zien we hier?” George houdt een prentenboek omhoog, met een tekening van een olifant. „Fil!” roept een meisje. „Nee”, verbetert de peuterleidster, „een olifant”. „Fil is Turks”, zegt Medine Tosun, de tweede peuterleidster, zelf van Turkse afkomst. „O”, zegt Ramona, en gaat verder met voorlezen.

De Rotterdamse wethouder Geluk (jeugd, gezin en onderwijs, CDA) kondigde vorige maand aan dat 105 van de 330 Rotterdamse leidsters voor 2010 vrijwillig de training zullen volgen. De taalles is bedoeld om de spreekvaardigheid van de peuters te vergroten, benadrukt Mariet Hattink van educatief adviseur CED-Groep.

De groep die de lessen volgt, bestaat uit leidsters met en zonder Nederlands als moedertaal. In zeven lessen van één dagdeel kun je niet „perfect” Nederlands leren spreken. „Er is een plafond.” Je streeft naar „meetbare verbetering” en dat kun je wel verwachten, zegt Hattink, die de training met een collega heeft ontwikkeld.

Aanleiding voor de taallessen was een rapportage van de Onderwijsinspectie in april 2008. Daaruit bleek dat 15 procent van alle leidsters in Rotterdam de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. ” In de deelgemeente Delfshaven is 60 procent van ‘niet-westerse afkomst’, in de buurt Tussendijken waar Het Kinderparadijs staat, is dat percentage 68. „Sommige ouders die hun kind hier komen brengen, spreken slecht of helemaal geen Nederlands. Hun kinderen ook niet. Juist daarom moet je erop letten dat de taal die je aanbiedt goed is”, zegt George.

Toen de voor- of vroegschool nog gewoon peuterspeelzaal heette, in de jaren negentig, had die een belangrijke functie als werkgelegenheidsproject, zegt Vigdis van der Giesen, directeur van Disck Peuter & Co, waarbij dertig peuterspeelzalen zijn aangesloten, waaronder Het Kinderparadijs. „Mensen aan de slag krijgen, werkervaring opdoen, daar ging het om. Taalvaardigheid was minder belangrijk. Inhoud telde het zwaarst. Veel mensen zijn toen geslaagd voor een opleiding, terwijl hun Nederlands eigenlijk onvoldoende was”, zegt ze. „Nu de peuterspeelzaal is ontdekt als plek waar gewerkt kan worden aan de ontwikkeling van kinderen, is dat veranderd.” Peuter & Co stelt strengere eisen: „Een heldere Nederlandse uitspraak, goed gebruik van lidwoorden, juist gebruik van werkwoordvervoegingen en zinsopbouw”, somt de directeur op.

Peuterleidster Medine Tosun (33) heeft nog geen taaltraining gehad, maar zou dat wel willen. Zelf kwam ze als vierjarige naar Nederland. „Ik heb nog een paar struikelblokken.” Haar drie kinderen spreken Nederlands, zij praat tegen hen in het Turks. „Ik wil dat zij hun moedertaal goed begrijpen.”

Datzelfde zeggen ook de moeders die hun kinderen komen brengen. De zoontjes van Rosina Blackson spreken thuis Nederlands, zelf „mixt” ze haar talen. „Als ik Surinaams tegen Sheldon en zijn broer spreek, begrijpen ze precies wat ik bedoel. Ik wil ze toch tweetalig opvoeden.” Een moeder naast haar zegt het af te wisselen. „Een paar woordjes Arabisch, dan weer Nederlands.”

Van der Giesen voelt zich „gesterkt” door de plannen van de Rotterdamse wethouder, maar zegt ook: „Het mbo [waar de leidsters hun opleiding krijgen] moet het curriculum aanpassen. Taal moet belangrijker worden. Geluk is wethouder van onderwijs, hij kan het gesprek met de opleidingen aangaan.” Tegelijk waarschuwt Van der Giesen voor te hooggespannen verwachtingen: „De kinderen zitten hooguit elf uur in de week bij ons. Als zij thuis nooit Nederlands horen, is elf uur heel weinig.”