Een stoïcijnse blik op het bestaan

De Vlaamse filosofe Patricia de Martelaere keerde zich tegen de ‘cultus van het gevoel’, maar was zelf een gevoelig waarnemer van het menselijke ‘gedoe’.

Patricia de Martelaere (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Patricia de Martelaere, auteur FOTO: Vincent Mentzel
Patricia de Martelaere (Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel) Patricia de Martelaere, auteur FOTO: Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

,,Je betreedt het pretpark en ziet hem meteen al staan”, schreef de Vlaamse schrijfster en filosofe Patricia de Martelaere in haar essaybundel Wereldvreemdheid negen jaar geleden: ,,de nieuwe attractie Dalton Terror.” Op bezoek in het pretpark Walibi wordt ze beurtelings aangetrokken en afgestoten door deze machine, die mensen, goed vastgesnoerd, zestig meter de hoogte in trekt en vervolgens met stoel en al loodrecht naar beneden laat vallen. ,,Pretparken confronteren ons op de meest vrijblijvende maar tegelijk meest verbijsterende manier met de ongehoorde verscheidenheid tussen mensen”, overdenkt ze wanneer ze met haar kinderen in de rij wachtenden nieuwsgierig toekijkt hoe anderen in deze beproeving ondervinden ,,hoe het is om dood te gaan”.

Afgelopen week is Patricia de Martelaere op 51-jarige leeftijd overleden, aan een hersentumor. Ze was hoogleraar filosofie in Brussel en vervolgens in Leuven, en had zich een trouw lezerspubliek verworven met romans als De schilder en zijn model (1989), Littekens (1990) en De staart (1992) en Het onverwachte antwoord (2007). Voor haar essaybundels Verrassingen (1997) en Een verlangen naar ontroostbaarheid (1993) ontving ze diverse literaire prijzen. Het waren vooral deze aandachtige, bijna terloops alledaagse en tegelijkertijd bevreemdende beschouwingen die haar als schrijfster zo goed kenmerkten.

Want hoe bekwaam de docente Patricia de Martelaere ook was in het uitleggen van door haar bestudeerde filosofen als Hume, Wittgenstein of Nietzsche, zelf filosofeerde ze het liefste door met een verwonderde blik te kijken naar het menselijke ‘gedoe’, waarin zij bijna spelenderwijs onverwachte dimensies en betekenissen wist te ontdekken.

Gemakkelijk was die blik niet altijd. Mensen waren volgens haar vaak wat te zeer met zichzelf begaan. Een beetje meer stoïcijns, afstandelijk en zelfs ‘een tikkeltje minder menselijk’ (zoals een essay in Wereldvreemdheid heet) mocht het er wel aan toegaan. Sarcastisch keerde ze zich tegen ,,de schaamteloze cultus van het gevoel en van de hartstocht”, waarin ze ,,een flink deel emotionele chantage” ontwaarde. In de laatste jaren van haar leven ontwikkelde ze een levendige belangstelling voor het Chinese taoïsme, waarover ze in 2006 een boek schreef.

Ook in haar romans getuigde de Martelaere van een observatievermogen dat weinig illusies koesterde over menselijke relaties. Door een bijna schuwe eenzelvigheid werden vaak ook haar publieke optredens gekenmerkt. Met tegenzin was zij aanwezig bij de bekendmaking van de winnaar van de Ako-literatuurprijs, waarvoor zij genomineerd was voor haar roman Littekens, waarbij ze vergeefs had bedongen niet door de televisie in beeld te worden gebracht.

Zowel in haar romans als in haar beschouwende werk tekende Patricia de Martelaere het bestaan als een wrang avontuur, waarin zelfbeklag wel de minst adequate houding was. Stoïcijns was ze ook voor zichzelf, hoe diep de schaduw ook was die over haar leven werd geworpen met de spoorloze verdwijning van haar echtgenoot. Op bijna klassieke wijze kon ze zo, wachtend in de rij in Walibi Pretpark, een plotselinge ‘oefening in het sterven’ ervaren. ,,Want aan de Dalton Terror kunnen we, als hij ons te zeer afschrikt, beslissen voorbij te gaan”, schreef ze. ,,Maar aan de dood is geen ontkomen, ook niet voor wie het – letterlijk – besterft van schrik.”