De stelling van Takvor Avedissian: Bloed aan de paal is niet wat burgers willen

Het kabinet wil bij zware gewelds- en zedenmisdrijven geen taakstraffen meer. De rechterlijke macht reageert scherp: overbodig, overhaast en staatsrechtelijk onjuist. Een debat tussen Folkert Jensma en Takvor Avedissian, strafrechter in Haarlem.

Foto’s NRC Handelsblad, Maurice Boyer Avedissian, rechter Takvor Avedissian (Rotterdam, 1965) is sectorvoorzitter strafrecht bij de rechtbank Haarlem. Hij studeerde staats-, bestuurs- en strafrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Na zijn studie werkte hij kort als wetgevingsjurist bij het ministerie van Landbouw. Daarna was hij teamleider van het Bureau voor Rechtshulp in Utrecht. In 1999 werd Avedissian rechter in Rotterdam, in 2007 in Haarlem. Als lid van het overleg van strafrechters (officieel het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren [LOVS] geheten), was hij betrokken bij de Raad voor de Rechtspraak bij de discussie over de voorgenomen beperking van taakstraffen. Avedissian is getrouwd en heeft drie zoons. Zijn familienaam is Armeens. Takvor Avedissian Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 4-3-2009 Takvor Avedissian (Rotterdam, 1965) is sectorvoorzitter strafrecht bij de rechtbank Haarlem. Hij studeerde staats-, bestuurs- en strafrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam.
Foto’s NRC Handelsblad, Maurice Boyer Avedissian, rechter Takvor Avedissian (Rotterdam, 1965) is sectorvoorzitter strafrecht bij de rechtbank Haarlem. Hij studeerde staats-, bestuurs- en strafrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Na zijn studie werkte hij kort als wetgevingsjurist bij het ministerie van Landbouw. Daarna was hij teamleider van het Bureau voor Rechtshulp in Utrecht. In 1999 werd Avedissian rechter in Rotterdam, in 2007 in Haarlem. Als lid van het overleg van strafrechters (officieel het Landelijk Overleg Voorzitters Strafsectoren [LOVS] geheten), was hij betrokken bij de Raad voor de Rechtspraak bij de discussie over de voorgenomen beperking van taakstraffen. Avedissian is getrouwd en heeft drie zoons. Zijn familienaam is Armeens. Takvor Avedissian Foto NRC H'Blad Maurice Boyer 4-3-2009 Takvor Avedissian (Rotterdam, 1965) is sectorvoorzitter strafrecht bij de rechtbank Haarlem. Hij studeerde staats-, bestuurs- en strafrecht aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Boyer, Maurice

Mijn stelling is dat een taakstraf geen echte straf is. Straf moet leed toevoegen en onaangenaam zijn. Een taakstraf is niet meer dan een hinderlijke onderbreking van je normale leven.

„Die taakstraf is ontwikkeld met een reden. Het komt ergens vandaan, het past in de humanisering van het strafrecht. Er zijn ook meer strafdoelen dan alleen vergelding. Er bestaat preventieve werking, herstel, compensatie, resocialisatie. Dat botst onderling soms. De ‘werkstraf ten algemene nutte’ komt voort uit de gedachte aan herstel, aan leren.”

Ik kan me geen taakstraf voorstellen bij geweldsmisdrijven.

„Alles hangt af van de ernst van het feit, de aard van de zaak, de omstandigheden waarin het gebeurde. Wie is de verdachte – een recidivist of een first offender. Is er psychisch iets aan de hand. Je weegt alles mee. Een taakstraf is nog niet lang geleden door de wetgever gepromoveerd tot hoofdstraf, naast de geldboete en de vrijheidsstraf. Daar zit nut en noodzaak in. Je voorkomt ermee dat iemand z’n baan verliest. Dat hij langdurig uit z’n normale bestaan wordt gehaald. Van taakstraffen werd destijds gehoopt dat het recidive kon helpen voorkomen. Gevangenisstraf is ook duur. Toen de taakstraf een hoofdstraf mocht worden was er een cellentekort. De tijd speelt hier ook mee.”

Maar u bent strafrechter, geen welzijnswerker. Moet u niet in beginsel kiezen voor vergelding?

„De wetgever heeft geen rangorde in strafdoelen aangegeven. Vrijheidsstraf geldt wel als de zwaarste variant, daarna de taakstraf en de geldboete is de lichtste vorm. Maar een strafrechter begint niet per definitie met ‘we gaan vergelden’ en daarna volgt de rest van het rijtje.”

Geeft u dan eens een voorbeeld van een geweldsmisdrijf waar een ‘kale’ taakstraf bij past.

„Neem geweld in huiselijke context. Een zoon, hevig geëmotioneerd, flipt en verkoopt z’n vader een mep. De verdachte, die geen strafblad heeft, erkent dat het eens was maar nooit weer. Oprechte spijt alom. Iedereen in het gezin wil graag verder met elkaar. Moet zo iemand de gevangenis in?

„Of neem een scholier die voor het eerst uitgaat, met een groep vrienden. Er wordt gedronken en er wordt vanuit die groep stevig geweld gepleegd. Meer dan een paar blauwe plekken. Echt niet fris. Die jongen staat er alleen maar bij en loopt niet weg. Hij distantieert zich niet. Dat is juridisch dus medeplegen van geweld, misschien zware mishandeling. Thuis is er structuur, aandacht voor de opvoeding en liefde. Er is geen strafblad. Moet die jongen dan lang de gevangenis in? Je ziet soms het hele gezin in de zaal zitten. En de leerkrachten. Een taakstraf is dan passend en geboden.”

Zou u zonder taakstraffen kunnen?

„Als je weet dat iets nuttig en nodig is, wil je er niet meer vanaf. De taakstraf is uit de praktijk ontstaan. De wetgever heeft het opgepikt. Het voorziet in een behoefte. Strafrechters zijn op aarde om naar alle omstandigheden van het geval te kijken. Die kennen het dossier; er is een zitting waar vragen worden gesteld, getuigen en het slachtoffer een inbreng hebben. Net als de verdachte, de advocaat, de officier. Er zijn deskundigen. Als je dat allemaal hebt gehoord kom je tot een oordeel – wat past hier het best?”

Toch zou je willen dat een taakstraf ook onaangenaam was.

„Er zit soms wel degelijk vergelding in. Werkstraffen zijn in de wetenschap dwangarbeid genoemd. Ik hoor verdachten wel zeggen dat ze nooit hebben gewerkt en dan nu ‘opeens iedere zaterdagochtend om half zeven moeten opstaan’. Dat heeft een opvoedend effect. Het beeld is nu dat een taakstraf neerkomt op een beetje schoffelen. Maar daders kunnen harde lessen leren tijdens hun taakstraf. Een confrontatie met slachtoffers van geweld tijdens de taakstraf in een revalidatiecentrum kan aankomen. Die worden met hun neus op de feiten gedrukt. Als de minister problemen heeft met de effectiviteit van taakstraffen moet daarnaar gekeken worden. Dat interesseert mij natuurlijk ook. Daar hebben we overigens ook de reclassering en het Openbaar Ministerie voor, om ons voor te lichten.”

Is het niet zo dat de burger van u repressie wil en verder niks?

„We hebben onderzoek gedaan, we werken in sommige arrondissementen met lezersjury’s via kranten: hoe zouden burgers met meer dossierkennis oordelen. Daar komt dat beeld van repressie en vergelding niet uit. Ik ben ervan overtuigd, en ik ben er door dit soort onderzoeken in bevestigd, dat als mensen weten wat er werkelijk speelt in een zaak, als ze de omstandigheden kennen, ze dan komen tot een oordeel dat bij een zaak past. Bloed aan de paal is niet wat mensen willen.”

Maar de minister krijgt op de tv te horen dat honderden daders van ernstige misdrijven er met taakstraffen vanaf komen en grijpt dan in. Die denkt: we hebben lege cellen, laten we maar eens ophouden met bomen snoeien en schoffelen. Die voelt het nationale humeur beter aan.

„De burger laat steevast in onderzoeken weten dat het goed is dat er een onafhankelijke rechter is die de rust kan bewaren, consistent is en niet vanuit de waan van de dag handelt. Daar zijn wij voor. Wij zijn geen idioten, wij weten wat er speelt in de publieke opinie. Ik lees kranten, kijk tv, ik volg de debatten. Maar dan nog wil ik in alle rust een zaak wegen en er een passende straf bij opleggen. Vergelding is belangrijk – als het past. Maar in sommige zaken staat vergelding niet voorop. Al was het maar omdat slachtoffers dat soms ook niet willen.

„Als strafrechter wil ik niet ‘lekker soft bezig zijn’. Ik wil alleen maar zaken op hun juiste waarde schatten. Ik vermoed dat ik als streng en rechtvaardig bekendsta. Als een vrijheidsstraf op z’n plaats is, twijfel ik geen seconde. Maar als, alles afwegende, het nodig is om naar de taakstraf uit te wijken, dan doe ik dat.”

Vervolgens onderzoekt de rechterlijke macht de Zembla-cijfers en concludeert dat er niks aan de hand is. Politiek maakt dat geen enkele indruk. Mijn conclusie: de taakstraf is over en uit.

„Het beeld van de praktijk is heel genuanceerd. Zembla vergeleek appels met peren, gooide alles op één hoop. Wij hebben de feiten gecheckt. Dat is ons werk. Alleen bij hoge uitzondering wordt een ‘kale taakstraf’ gegeven, op goede gronden. Als dat gebeurt moeten we dat misschien beter motiveren. We willen met dit advies nu vooral helder en genuanceerd uitleggen waar de schoen wringt.”

Ik heb zelden zo’n scherp advies van de Raad voor de Rechtspraak gelezen als over dit voorstel. U slaat alarm.

„Wij vinden dit voorstel overbodig, enigszins overhaast en over een staatsrechtelijke grens heen. De minister heeft in januari de officieren van justitie opgedragen minder vaak taakstraffen te eisen. Laten we eerst eens wachten op de effecten daarvan. Als er al een probleem is, is het heel klein. De feiten van Zembla waren helemaal geen feiten. We moeten oppassen voor incidentenwetgeving.”

U roept zelfs dat er staatsrechtelijk een grens is overschreden.

„Het lijkt erop dat het bestuur nu op de stoel van de rechter en de wetgever gaat zitten. Er wordt een wetsartikel voorgesteld waarin staat dat bij Algemene Maatregel van Bestuur nog aan te wijzen strafbare feiten ook van taakstraffen kunnen worden uitgesloten. Dat is werkelijk zonder precedent in het strafrecht. Echt volstrekt nieuw. De afspraak in onze trias politica is dat de wetgever strafbare feiten precies omschrijft en de bijbehorende strafmaxima aangeeft. Impliciet ontstaan nu opeens bijzondere strafminima. Als je bepaalde delicten immers uitsluit van taakstraffen komt de rechter vanzelf uit bij een vrijheidsstraf. Dat is ook echt nieuw. De minister lijkt zich niet alleen met straftoemeting te willen bemoeien, maar ontloopt ook het parlementaire debat door zoiets wezenlijks als strafbedreiging op delicten zelf te willen regelen. Het is een trendbreuk met het systeem van het strafrecht zoals we dat kennen.”

Bij de volgende golf opwinding over softe rechters kan de minister dus per eenvoudige maatregel buiten de Kamer om uw mogelijkheden inperken. U wordt aan de leiband gelegd.

„Wij willen ons niet als slachtoffer presenteren. Binnen de trias zijn wij een van die machten. Wij willen helder aangeven waar de schoen wringt. Gewoon, op een goede, rustige manier blootleggen wat hier mis is. En wat de feiten zijn. Daar zijn we voor en daar zijn we ook goed in.

„We willen geen van allen dat er computers komen om straffen uit te delen. Zolang we de scheiding van machten hebben, vinden wij kennelijk nog steeds met z’n allen dat individuele gevallen op hun merites moeten worden beoordeeld door onafhankelijke rechters.”

U krijgt straks nog meer minimumstraffen opgedrongen.

„Als dat al gebeurt, ben ik daar heel ontspannen in. Ik heb me te richten naar de wet zoals die door regering en parlement is vastgesteld. Het parlement moet niet buitenspel worden gezet. Daar gaat het om.

„De rechtspraktijk is altijd dynamisch. Er wordt steevast gekeken naar wat past. Wat de effecten zijn. Welke strafdoelen er worden gediend. Strafminima zijn in de praktijk niet echt belangrijk. Strafeisen zijn veel belangrijker. En áls ze er komen, dan zien we wel verder. Strafhoogtes zijn gebaseerd op de landelijke praktijk. Wat er zoal wordt geëist en opgelegd. Wat redelijk is. Dat is een organisch proces.”

Politiek is de kern van de zaak dat rechters niet streng genoeg zijn.

„Ik hoor het u zeggen. Ik stel er een knalhard voorbeeld tegenover. Sinds 1995 is er 36 keer levenslang opgelegd. In de 50 jaar daarvoor 6 keer. Hoezo, geen strengere straffen? Je moet het alleen wel willen zíén. Onlangs is in Amsterdam nog een jongen van 17 tot 20 jaar cel veroordeeld. Rechters zijn niet blind voor wat er speelt. Maar rechters willen wél iedere strafzaak op z’n merites kunnen beoordelen. Dat niet de waan van de dag de boventoon voert. Maar de redelijkheid.”