De ex-Nederlander

Het aangename van Nederland was verbonden met haar geringe mate van mysteries’, volgens Joseph O’Neill. In zijn Netherland, één van de toonaangevende Amerikaanse romans van de laatste jaren, beschrijft hij Nederland als een land waar transparente burgers ‘vooruitzienbare en gematigde doelen in het leven’ nastreven. Het New York van de roman is ietsje anders.

Netherland (deze maand in Nederlandse vertaling bij De Bezige Bij verschenen) is vooral gevierd als dé langverwachte roman over het New York van na 11 september. Maar het is tevens de langverwachte buitenlandse roman over Nederland. De hoofdfiguur van Netherland, Hans van den Broek, een bankier in New York, is een bepaald type Nederlander: de ex-Nederlander die zijn Nederlandse wortels kwijtraakt.

O’Neill, wiens vader als industriële bouwmanager in Rotterdam werkte, groeide net als Van den Broek op in het Den Haag van de jaren zeventig. De schrijver zat er op de Britse school, crickette bij een bekakte club (Netherland zet het Haags cricketwereldje zeer accuraat neer), en leerde in tegenstelling tot de meeste van zijn medescholieren blijkbaar goed Nederlands. Niet sinds 1600, toen Britse toneelschrijvers rustig een paar zinnen Nederlands ertussendoor gooiden, zal Engelstalige fictie zoveel onvertaald Nederlands hebben geciteerd. Maar de Nederlander die O’Neill in Netherland neerzet is iemand die zijn Nederlanderschap bijna als een sok heeft uitgetrokken.

Van den Broek – één van de weinige literaire personages die vernoemd moeten zijn naar een voormalige minister van Buitenlandse Zaken – heeft nog wel een paar aan Nederland overgehouden denkwijzen. Afkomstig uit een land zonder mysteries, is hij als geparalyseerd door alle onduidelijkheid na 9/11. Is de oorlog in Irak een goede zaak of niet? Iedereen om hem heen heeft antwoorden, maar Van den Broek is in de war. New York is onvatbaar, gewelddadig en vol fantasten; Den Haag toch wat minder.

Verder is Van den Broek echter hard op weg ex-Nederlander te worden. Al voordat hij in New York belandde, had hij zich een buitenlandse vrouw, bank, stad en sport aangemeten. In Amerika heeft hij zijn laatste oude gewoontes en maniertjes voor nieuwe verwisseld. Zijn gangstervriend Chuck Ramkissoon noemt hem bij wijze van compliment ‘lid van de eerste stam van New York – afgezien natuurlijk van de Indianen’, maar zo voelt Van den Broek zich niet. Zelfs als hij een eeuwenoud Nederlandse kerkhof in Brooklyn bezoekt, spreken de namen op de grafstenen (‘Jansen, van Dam, de Jong’) niet tot hem. ‘Ik hoorde bijna de echo van klompen op het voetpad. Maar dan? Wat zou iemand met deze informatie aanmoeten?’ Ook voor de andere personages in het boek is het Nederlanderschap van Van den Broek te reduceren tot een paar geinige trekjes: de drievoudige zoen, wat kaassoorten, en de kreet ‘Double Dutch’.

Uiteindelijk geeft Van den Broek aan de lezer toe dat hij zich New Yorker voelt; dat de stad zijn vroegere wortels heeft ¥uitgevaagd. Een kenmerk van Nederlanderschap is de kunst van het aanpassen. Mensen uit dit land zonder grenzen, met talenknobbel en zonder streng geloof worden steeds makkelijker tot kameleons.

O’Neill wilde een ongewortelde man schetsen (Van den Broek woont nota bene in een hotel), iemand als hijzelf, zonder zekere haven in de chaos van de periode 2001-2003. Het moderne toonbeeld van ontworteldheid – zoals vroeger de wandelende jood – is hier de hoogopgeleide ex-Nederlander.

Simon Kuper is schrijver, columnist en auteur van Retourtjes Nederland