'Blijft het leven altijd zo?'

Het arrestatiebevel dat het Internationaal Strafhof woensdag uitvaardigde tegen de Soedanese president Bashir zet het wankelende vredesproces tussen Noord- en Zuid-Soedan nog verder onder druk. Opnieuw dreigt de strijd. „Waarom offeren wij ons op?”

Vrouwen knielen voor Peter Adwok. Eén van zijn enkels is van kunststof. Rond de andere snoeren ze witte kralen. Ze zegenen Adwok die minister van Hoger Onderwijs geworden is Foto’s Petterik Wiggers/HH Sudan, Soedan, Khartoum November 7 2008 Southern Sudanese women pay respect to mr. Peter Adwok upon arrival at his simple home in Khartoum, after he is appointed minister of Higher Eductation for the Sudanese government. Tremulerende vrouwen knielen bij hielen van Peter Adwok. Eén van zijn enkels is van kunststof. Rond de andere snoeren ze witte kralen. Een zegening. Op de krappe patio van de driekamerwoning in Khartoum danken ze hun voorvaders dat Peter Adwok Nyaba leeft. Peter Adwok heeft zijn nieuwe baan als minister van Hoger Onderwijs geaccepteerd. foto: Petterik Wiggers/Hollandse Hoogte
Vrouwen knielen voor Peter Adwok. Eén van zijn enkels is van kunststof. Rond de andere snoeren ze witte kralen. Ze zegenen Adwok die minister van Hoger Onderwijs geworden is Foto’s Petterik Wiggers/HH Sudan, Soedan, Khartoum November 7 2008 Southern Sudanese women pay respect to mr. Peter Adwok upon arrival at his simple home in Khartoum, after he is appointed minister of Higher Eductation for the Sudanese government. Tremulerende vrouwen knielen bij hielen van Peter Adwok. Eén van zijn enkels is van kunststof. Rond de andere snoeren ze witte kralen. Een zegening. Op de krappe patio van de driekamerwoning in Khartoum danken ze hun voorvaders dat Peter Adwok Nyaba leeft. Peter Adwok heeft zijn nieuwe baan als minister van Hoger Onderwijs geaccepteerd. foto: Petterik Wiggers/Hollandse Hoogte Wiggers, Petterik;Hollandse Hoogte

De vrouwen tremuleren. Ze knielen bij zijn hielen. Een van zijn enkels is van kunststof. Rond de andere snoeren ze witte kralen. Een zegening op de krappe patio van een driekamerwoning in Khartoum. Ze danken hun voorvaders dat Peter Adwok Nyaba leeft.

Peter bleef integer in de lange oorlog van Zuid-Soedan. Hij is het tegendeel van de typische Afrikaanse heerser die uit is op eigenbelang. Peter waaide nooit met de wind mee en keerde zich altijd tegen machtsmisbruik.

Eerst vocht hij als guerrillacommandant tegen de regering in de hoofdstad. Later streed hij als activist voor democratisering binnen de rebellenbeweging. Nu wordt hij bejubeld wegens zijn benoeming tot minister van Hoger Onderwijs in Khartoum.

Peter blijft nuchter. Met dezelfde overtuiging die hem tijdens een kwart eeuw burgeroorlog op de been hield. „Het ministerschap is geen doel op zichzelf”, zegt hij. „Het geeft je de middelen om door te gaan met vechten: voor gelijkheid en rechtvaardigheid in Soedan.”

Abuk is de echtgenote van Peter. Ver van het gearabiseerde Khartoum, in het semi-autonome en zwarte Zuid-Soedan, leidt zij een zitting van het Comité voor Vrouwenzaken in het parlementsgebouw van Juba. Eens was ze een typische Afrikaanse, opgesloten in haar traditionele rol van echtgenote en moeder. „Waarom offeren wij ons op? Waarom emigreren we niet naar Amerika?”, smeekte ze Peter 25 jaar geleden.

Toch volgde ze hem naar smerige vluchtelingenkampen in Ethiopië en troostte ze haar hongerige kinderen in Kenia. Ook uit haar mond geen klaagzang. „Ik was er altijd om mijn kinderen te beschermen. Dat geluk hadden niet veel Zuid-Soedanezen.”

Kenny is de oudste dochter van Peter en Abuk. Zij treft in Juba voorbereidingen voor haar vertrek naar Brussel. Daar gaat ze werken op het kantoor van de voormalige zuidelijke rebellenbeweging, het Soedanese Volksbevrijdingsleger (SPLA), tegenwoordig regeringspartij in Zuid-Soedan. „Je loopt een trauma op, door het vele verhuizen, door het geweervuur en het niet begrijpen wat je overkomt”, vertelt ze over haar jeugd als dochter van een bevrijdingsstrijder. „Ik heb me vaak afgevraagd: blijft het leven altijd zo?”

Pito is de jongere broer van Kenny. Hij is 2,10 meter, net iets langer dan zijn vader. Hij loopt nerveus heen en weer op het vliegveld van Juba. Klaar voor vertrek naar Zuid-Afrika waar hij een militaire opleiding gaat volgen. Hij steekt een sigaret op. Om die na twee trekjes weer te doven. Met zijn lange vingers friemelt hij aan zijn niet-bijpassende paarse das. „Mijn kinderen mogen straks niet lijden zoals ik heb moeten lijden. Ik raakte in de war van alle onzekerheid.”

Het verhaal van de familie Adwok is het verhaal van de slepende oorlog in Soedan.

Ik ontmoette Peter voor het eerst toen ik in de gevangenis zat op beschuldiging van wapensmokkel. Het was 1980. Uit onvrede over schendingen van het verdrag tussen Noord- en Zuid-Soedan pakten de eerste jongeren in de zuidelijke stad Juba de wapens op. Peter Adwok kreeg me op borgtocht vrij.

Sindsdien hebben we contact gehouden. We maakten samen reizen door Zuid-Soedan. Zijn kinderen speelden in Nairobi met mijn kinderen.

Het opmerkelijke verhaal van de familie Adwok begint rond 1945 in een kraal ten zuiden van Malakal, een stadje aan de Nijl. Peter mocht niet meedoen aan veeroof en ook niet maandenlang bivakkeren in de speciale veekampen voor mannen. Als oudste zoon op wie zijn vader extra zuinig was, moest hij naar school. Zijn vader deed een ijzeren band om zijn enkel, ten teken van een voorbestemming. Peter Adwok Nyaba zou zich opwerken uit de koeienstront van het traditionele Shiluk-volk tot intellectueel en leider van zijn volk.

Oorlog legt al generaties een schaduw over het leven van iedere Zuid-Soedanees. In 1955, één jaar voor de onafhankelijkheid, brak een opstand uit onder zuidelijke regeringssoldaten. Die opstand markeerde het begin van de eerste oorlogsronde. Arabische regeringssoldaten omsingelden Peters dorp in 1965. Voor de ogen van vrouwen en kinderen executeerden ze 87 mannen. Honden smulden van het mensenvlees. „Ik haat de Arabieren”, dacht Peter toen hij zijn spullen pakte. Hij liep in 45 dagen naar Oeganda waar hij zich bij de Anyanya voegde, de eerste Zuid-Soedanese guerrillabeweging. Met het akkoord van Addis Abeba in 1972 eindigde de eerste zuidelijke rebellie.

Abuk, de naam van Peters echtgenote, betekent in de taal van de Shiluk: geboren na de dood van andere kinderen. Haar moeder had al vele baby’s begraven voor Abuk in 1958 ter wereld kwam. Haar vader stuurde haar voor voortgezet onderwijs naar het verre Juba. Daar ontmoette ze Peter in 1973 op een feestje. Peter betaalde koeien en geiten als bruidsschat. Een huwelijk tegen oorlog bestand.

Peter ging studeren in het noorden, in Khartoum waar de gearabiseerde Soedanezen de dienst uitmaken. Hij maakte er geen vrienden. „Er is altijd die onzichtbare scheidslijn. De Noord-Soedanezen zien ons als minderwaardig. Zwarte zuiderlingen en de Arabische noorderlingen haten elkaar.” Peter droeg die afschuw van het noorden op zijn kinderen over. Het was voor hem vooral een politieke stellingname. Tegen de achterstelling van het zuiden. Hij sloot zich aan bij de Communistische partij, de meest gemêleerde partij van Soedan.

In 1978 vertrok hij met zijn vrouw en hun net geboren dochter Kenny naar Hongarije voor de afronding van zijn studie geologie. Daar werd een jaar later zoon Pito geboren. Na terugkeer werd Peter hoogleraar aan de Universiteit van Juba.

Het broeide in Juba, begin jaren tachtig. De invoering van het islamitische recht in 1983 versterkte het wantrouwen tegen de noordelijke Arabieren. Volgens de wet konden zuiderlingen geen president in Khartoum worden, geen minister, zelfs geen hoofdonderwijzer. „We waren tweederangs burgers in ons eigen land”, verklaart Peter de groeiende onvrede in die tijd.

De regering in Khartoum kwam de afspraken over zelfbestuur uit het akkoord van Addis Abeba niet na. Olierijke gebieden in het zuiden voegde ze bij het noorden. Met een rebellie onder zuidelijke soldaten in het stadje Bor begon in 1983 de tweede ronde van de oorlog die duurde tot 2005.

Peter stond ambivalent tegenover het Soedanese Volksbevrijdingsleger, het SPLA, geleid door John Garang de Mabior. Hij steunde de idealen, maar wantrouwde de autoritaire en militaristische Garang. Na lang beraad besloot hij zich in 1985 toch bij het SPLA in Ethiopië te voegen. Zijn familie volgde enkele weken later. Hij meldde zich bij de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties en loog dat hij uit Soedan was komen lopen, terwijl hij met het vliegtuig was gekomen. Zo kreeg hij de vluchtelingenstatus – en te eten.

Zijn kinderen Kenny en Pito waren gewend aan elektrisch licht, matrassen en schoolbanken. In Ethiopië belandden ze in primitieve duisternis. „Wat doen al die enge reptielen hier”, vroeg Kenny geschokt aan haar moeder. „En die vlooien. Dat vieze water in de rivier. Moeten we ons daarin wassen?” De kinderen voelden zich verloren. Verward door de mengelmoes van stammen, clans en vreemde talen.

Peters familie had het beter dan de meeste kampbewoners. Velen waren wees. Ze vertelden Pito en Kenny hun verhalen. „We zwierven en wisten niet waar we heen moesten”, beschreef een elfjarig vriendje zijn lange trektocht. „De Arabieren vermoordden zoveel mensen als ze konden en gingen er met de koeien vandoor. Ik zag de stapel lijken en kon de moed niet opbrengen om te kijken of mijn ouders erbij lagen”, zei een andere jongen. „We zagen wel eens mensen, maar waren te bang om naar ze toe te gaan. We liepen wel drie of vier volle manen.”

Het SPLA gebruikte de vluchtelingenkampen in Ethiopië om strijders te rekruteren en ze militair te trainen voor het Rode Leger. Tot ergernis van Peter. „Sommige van de kinderen zijn nog geen negen jaar oud.” Vorige week schoot een jongen zich per ongeluk het hoofd van zijn romp. „Hij wilde eens goed kijken hoe een kogel de loop van zijn geweer verliet.”

Iedere Soedanees moest een militaire opleiding volgen. „Het is zwaar, vooral voor intellectuelen”, mopperde Peter. „We volgen bevelen op van jochies van nog geen veertien jaar oud. Garang doet er alles aan om ons intellectuelen te vernederen. Moet een van ons poepen, dan gaat de hele eenheid verplicht meepoepen. Gezamenlijk in het open veld. Mijn radio is afgenomen en we mogen geen boeken bezitten. Het is verschrikkelijk.”

Op 13 mei 1987 onderging Peter zijn vuurproef. Na zes maanden militaire training had een Ethiopische helikopter hem naar het Soedanese slagveld getransporteerd. Peter gaf leiding aan 450 SPLA-soldaten. Ze namen hun positie in rond het stadje Jakou. Een uur voor zonsopgang openden ze de aanval. De operatie werd een ramp.

De vijand in Jakou beschikte over een machtig machinegeweer dat de SPLA-soldaten wegmaaide op de open vlakte. Peter kon geen kant op. Aanvankelijk voelde hij niet dat hij in zijn been geraakt was. Zijn lijfwacht van twaalf was in zijn voet geschoten. Rollend slaagden ze erin de rivierbedding te bereiken. Ze lieten zich door de stroom wegdrijven. Er heerste chaos en paniek.

Peters been had gespaard kunnen worden. Als hij op tijd was behandeld. „Ik voel geen spijt”, zei Peter. „Mijn verwonding is het logische gevolg van mijn politieke keuze.” In Havana kreeg hij een kunstbeen dat bij terugkeer in een Ethiopisch vluchtelingenkamp niet meer paste. Voor zijn lange lijf van 2.08 meter was in Afrika geen been te vinden. Pas enkele jaren later gaven doktoren in Duitsland hem weer een passend been. „Nog steeds ontwaak ik midden in de nacht soms zwetend en voel de kogel”, zei Peter. „Alsof ik mijn eigen been nog heb.”

Garang was Peter liever kwijt dan rijk. „In het SPLA is geen plaats voor invaliden”, schimpte hij. „Ik kan nog zo veel voor het SPLA betekenen”, wierp Peter tegen. Het was niet de laatste keer dat Garang en Peter ruzie kregen.

Garang was meer een militair dan een vrijheidsstrijder. Een typische Afrikaanse politicus in de traditie van het stamhoofd. Meer gedreven door machtsinstinct dan door de drang het lot van anderen te verbeteren.

Peter was zijn tegenpool. Hij wilde bewoners in de bevrijde gebieden organiseren. Hij pleitte voor de opbouw van sociale structuren. Een bevrijdingsstrijd is immers meer dan het behalen van zeges op het slagveld.

In 1989 liet Garang een groep linkse intellectuelen oppakken. Peter kreeg negen maanden huisarrest. Abuk en kinderen verhuisden naar de Ethiopische hoofdstad Addis Abeba en later naar het nabijgelegen Debre Zeit.

Kenny en Pito konden niet meer meekomen op school en moesten klassen overdoen. Het steeds weer verkassen en de knagende onzekerheid over hun vader eisten hun tol. Een enorme angst nam Pito in bezit. Op een dag sloeg hij in paniek op de vlucht voor een dolle geit. Ethiopiërs scholden de pikzwarte Zuid-Soedanese vluchtelingen uit voor apen. Pito zag op een dag hoe een uitzinnige menigte een vluchteling doodsloeg. „Welke plaats rest mij nog in deze wereld”, vroeg hij zich af.

De val in 1991 van Garangs bondgenoot, de Ethiopische president Mengistu, zorgde ervoor dat het SPLA uit Ethiopië moest vertrekken. Peters familie reed mee in een karavaan van auto’s, uitgekotst door de Ethiopiërs. „Waarom schieten ze op ons”, dacht Kenny. „Mijn vader vertelde ons altijd dat de Arabieren onze vijanden zijn.”

Ballingschap in Kenia bracht geen verlichting. Peter zat zonder werk en inkomen. „Ik moet mijn hand op houden bij vrienden en hulporganisaties.” Voor het eerst hoorde je Peter klagen. Zijn zoon Pito ontwikkelde een minderwaardigheidscomplex. Hij was agressief en onberekenbaar. Hij zwierf over straat met ongure Keniaanse vrienden. Hij werd twee keer van school gestuurd.

Verzetsstrijder Peter zag zich geconfronteerd met een rebelse zoon. Moeder Abuk voelde zich schuldig. „Schiet ik tekort bij de opvoeding van mijn kinderen?” En ze was bezorgd. „Vluchtelingen zijn rechteloos in Kenia. Wat gebeurt er als de politie Pito arresteert?”

Niet alleen de familie Adwok belandde in een crisis. Soedanese regeringssoldaten drongen het SPLA op alle fronten terug. De oorlog leek verloren. Een bevrijdingsstrijd mislukte. „Er bestaat een reële kans dat we worden verslagen en we hebben dat aan onszelf te wijten”, verkondigde Peter. Opnieuw was er onvrede ontstaan over de autoritaire Garang, over executies binnen het SPLA, over gedwongen rekrutering. „Zijn we bomen aan het bevrijden of mensen”, provoceerde Peter zijn SPLA.

In het geheim werkte Peter mee aan voorbereidingen voor een opstand. De dissidente commandanten Riëk Machar en Lam Akol probeerden de leiding van de rebellenbeweging over te nemen. Er braken hevige gevechten uit tussen SPLA-eenheden. Stammengeschillen laaiden op. Van de naar schatting twee miljoen doden die de tweede oorlogsronde vergde, vielen de meeste als gevolg van deze broedertwisten.

Toen bleek dat de dissidenten wapens aannamen van de regering in Khartoum, keerde Peter zich vol weerzin af van de groep. Hij schreef een bitter boek: ‘The politics of liberation in South Sudan, an insiders view’.

In een SPLA-kazerne bij Yei vond in 1998 een feestje plaats. Honderdvijftig officieren keken gretig naar de acht meisjes die hun feestje kwamen opluisteren. „Ze haalden ons vanmiddag op in Yei en geboden ons te komen feesten”, fluisterde Yvonne. „Ik heb dit eerder meegemaakt. Ik weet wat ons vannacht te wachten staat.” Oude gewoontes slijten langzaam. Ongedisciplineerde SPLA-soldaten hadden de winkels in Yei kort daarvoor geplunderd tijdens de ‘bevrijding’.

De uitbundige sfeer weerhield Peter niet van een preek. Hij had zich weer aangesloten bij het SPLA van Garang. Hij profiteerde van zijn imago als de man met de grote mond die nooit ophoudt te ageren voor hervormingen. ‘Het geweten van het SPLA’ noemden de overgebleven intellectuelen in de verzetsbeweging hem.

„Wapens en voedsel krijgen we uit het buitenland. We hebben de bevolking niet meer nodig”, begon hij aan een tafeltje vol bierflesjes. „Dat was tijdens de eerste bevrijdingsoorlog wel anders. Toen bouwden we onze strijd op de steun van de bewoners. Nu zorgen buitenlandse hulpverleners voor de bewoners.” Zijn vermaning aan de losbandige guerrillastrijders werd door luide muziek overstemd.

Wantrouwen, jaloezie en diepe haat overheersten in 1994 in het verdeelde SPLA. Peter leidde de kritiek op de ondemocratische structuur van het SPLA. Hij raakte in conflict met Lam Akol, met wie hij in 1991 had samengewerkt in een poging Garang te wippen. Lam Akol liet hem arresteren en zette hem zeven maanden lang gevangen in een hutje langs de Nijl. Zonder contact met de buitenwereld.

In Nairobi stonden Abuk, Pito en Kenny weer doodsangsten uit. Abuk leefde van vrienden. Huilend van de honger stonden de kinderen ’s ochtends op. Hun knorrende magen weerhielden hen er niet van trouw iedere dag naar school te gaan. Kenny kopieerde haar vaders koppigheid. „Ik volg zijn advies om hard te leren en elke dag een boek te lezen”, hield ze zich voor. Peter had inmiddels buiten Soedan groot aanzien verworven vanwege zijn strijd voor een vrij Zuid-Soedan en voor democratie en mensenrechten binnen het SPLA. Die reputatie bleek zijn redding. Lam Akol moest hem vrijlaten.

Na Kenny en Pito hadden Peter en Abuk nog drie kinderen gekregen. Het was de elfde verjaardag van hun zoon Molana. Peter

trakteerde Molana in Nairobi op een dagje naar het zwembad. Met een bord patat om de feestsfeer te verhogen. Molana kon zijn geluk niet op.

Toen de badmeester even niet oplette, verdronk Molana. Op de begrafenis barstte een huilbui los van honderden Zuid-Soedanezen. Ze waren misschien gehard door de duizenden doden van de oorlog maar de dood van één onschuldige jongen in het zwembad viel niet te bevatten.

Abuk kon alleen nog huilen en zag geen uitweg meer. Twee maanden lang was ze verlamd van verdriet. Tot ze zich aanmeldde bij de vrouwenbeweging van het SPLA en de solidariteit van de soortgenoten haar leed verlichtte. „Nu zie ik dat jullie nog veel meer problemen hebben dan ik”, vertelde ze haar vrouwelijke kameraden. „Toen ik twee maanden huilde, dacht ik alleen aan mezelf.”

De oorlog in Zuid-Soedan was in 2002 de langstdurende van Afrika geworden. Kippen hadden geleerd dekking te zoeken bij het gebrom van overvliegende gevechtsvliegtuigen. Kinderen wisten niet meer hoe schoolbanken eruit zagen. Het gebied behoorde tot de minst ontwikkelde van het continent, met de diepste armoede, de meeste analfabeten en veel middeleeuwse ziektes.

Op het slagveld heerste een impasse, maar diplomatieke druk begon vruchten af te werpen. Bij de laatste zonsondergang van 2004 slechtten internationale onderhandelaars in een duur hotel aan het Naivashameer de laatste obstakels voor een vredesverdrag. Vertegenwoordigers van de regering en SPLA leden excelleerden tijdens een show van broederlijk handenschudden en innige omhelzingen. Alsof ze elkaar nooit hadden willen uitroeien. Abuk was een van de sterren. Ze kletste met Rebecca, de echtgenote van Garang. In een lang en kleurig Afrikaans gewaad zat zij bij de machtige mensen van het SPLA.

Peter hing wat verdwaasd rond bij de bar, gestoken in een strak streepjespak. De getergde blik maakte zijn getatoeëerde gezicht tot een masker. De weerslag van jarenlang lijden. Hij leek geen deel te hebben aan het feestgedruis.

Dankzij zijn inzet kende het SPLA nu een beetje democratische inspraak. Maar de dictatoriale Garang was nog altijd oppermachtig. Tijdens de bevrijdingsdag waren er voor bijna alle prominenten presentjes. Maar Peter deed niet mee bij de tombola voor nieuwe functies. Alleen omdat Abuk tot parlementslid in Zuid-Soedan was benoemd, had hij nog een beetje aanzien.

Net als zijn moeder had Pito die dag zijn draai gevonden. Opeens leek hij geen kind meer. Adviezen van zijn vader om in door SPLA bevrijd gebied een nieuw leven te beginnen, had hij jarenlang genegeerd. Die onderontwikkelde bush kon hem niet weglokken van het Keniaanse stadsleven. „Maar nu ga ik werken aan de toekomst van mijn land”, zei hij met ongebruikelijke vastberadenheid. „Ik heb een rol te vervullen in mijn bevrijde land. Ik ga naar huis”. De zonsondergang van 31 december 2004 gaf iedere Zuid-Soedanees de kans op een nieuw begin.

Peter stond niet te juichen toen enkele dagen later in Nairobi officieel het Alomvattende Vredesakkoord (CPA) werd getekend tussen Noord-en Zuid-Soedan. De zuiderlingen dwongen het recht af om na een interim-periode van zes jaar bij referendum te kiezen voor afscheiding van Soedan. Het SPLA vormde de autonome regering voor het zuiden en benoemde enkele ministers in de nationale coalitieregering in het noorden. Maar het verdrag was een compromis. Geen zege. „Misschien is het maar beter zo”, concludeerde Peter. „De interim-periode geeft ons zuiderlingen de tijd om in eigen huis orde op zaken te stellen.”

Na twintig jaar ballingschap keerden Peter en Abuk terug in Juba. Het SPLA benoemde Abuk tot parlementslid in het zuiden. De dood van Garang bij een vliegtuigongeluk een half jaar later, betekende een slag voor het vredesproces en voor het SPLA. Alle machtsverhoudingen binnen de verzetsbeweging lagen weer overhoop. Dat pakte gunstig uit voor Peter. Zijn rol in de bevrijdingsstrijd kreeg onder de nieuwe SPLA-leider Salva Kirr eindelijk erkenning. Hij verruilde zijn status als paria in het SPLA voor een functie als senator in het noorden.

Een beleefd knikkende noordelijke overheidsdienaar serveert in de pluche diplomatieke wachtkamer op de luchthaven van Khartoum een glaasje vruchtensap aan Peter. Een officiële auto met geblindeerde ramen haalt Abuk op bij de vliegtuigtrap. Kenny laat zich voor de lunch fêteren in het sjieke restaurant DaVinci van Juba. Pito bericht vanuit Zuid-Afrika over het koude weer.

Wie hun kwart eeuw durende martelgang niet kent, zou denken dat deze zo miraculeus succesvolle Zuid-Soedanese familie altijd eigen gewin heeft nagejaagd. Zo verloopt het machtsspel in Afrika immers zo vaak.

Kenny lijkt nog het meest op haar vader. Ze maakt snelle en scherpe analyses over de nog instabiele situatie in Soedan. „Nooit heb ik mijn ouders verweten dat ze ons lieten lijden. Ik leerde tijdens mijn nomadische jeugd zo veel mensen kennen. Dat heeft me tolerant en wijs gemaakt. Mijn zelfvertrouwen moet iets te maken hebben met de harde omstandigheden in mijn leven.”

Pito maakt met zijn getuite lippen het geluid van een voorbijschietende straaljager. Hij droomt ervan het presidentiële paleis in Khartoum te bombarderen. Pito vond een oplossing voor de chaos in zijn leven. „Ik was een man zonder focus. Daarom heb ik me aangesloten bij het nieuwe zuidelijke SPLA-leger.” De wonden van zijn jeugd zijn niet geheeld, de wrok nog niet geluwd. „Ik wijt dat aan mijn vader. Voor hem ging de strijd altijd boven zijn kinderen. Hij gaf me altijd bevelen, nooit liet hij me een keuze. Hij had een betere vader kunnen zijn.”

En Peter, heeft hij ooit spijt gehad? „Als je in politiek gelooft, dan moet je consequent zijn”, volgt snel zijn antwoord.” Zijn strijd is nog niet gestreden. De dreiging dat het Internationaal Strafhof in Den Haag een arrestatiebevel zou uitvaardigen tegen de Soedanese president Bashir, leidde de afgelopen weken al tot grote binnenlandse spanningen en een machtsstrijd. De vredesovereenkomst met Zuid-Soedan staat op het spel en in de West-Soedanese regio Darfur dreigt nieuw geweld. Soedan kan uiteenvallen.

Peter is voor afscheiding van het Zuiden, net zoals de Zuid-Soedanese president Salva Kirr. Maar als het Zuiden samen met Darfur en andere gemarginaliseerde regio’s een nationale regering kan vormen die een eind maakt aan de Arabische dominantie, geeft hij de voorkeur aan een verenigd Soedan. Een land zonder onderdrukking, daar is het hem al heel zijn leven om te doen.