Badderen in een beeldentuin

(Illustratie Wendy Panders) grunge tag on white background Jieyu Lai
(Illustratie Wendy Panders) grunge tag on white background Jieyu Lai Panders, Wendy

In het toonaangevende lijstje, van de Journal des Arts, figureert het al een paar jaar als het vijfde museum van Frankrijk. Het is dichter bij Nederland dan zijn concurrenten in Parijs. En toch is La Piscine, Musée d’Art et d’Industrie in Roubaix, onbekend genoeg om dienst te doen als doorfluistertip. Arnout Janssens, een Vlaams student kunstgeschiedenis die er gidst, krijgt maar eens per twee maanden een groep Nederlanders.

Ze heeft iets exotisch, deze bestemming. Dat begint al bij de aard van het gebouw. We gaan een dagje naar het Zwembad, dat doet niet vermoeden dat je Rodin, Dufy en de Noord-Franse portretschilder Jean-Joseph Weerts gaat opzoeken.

De buitenissigheid neemt toe als je op een zondag per auto via de buitenwijken van Roubaix tussen Lille en de Belgische grens reist. Bakstenen lijken langs de kant herinneren aan industriële bloei, ooit. Eind negentiende eeuw was Roubaix rijk, de textielhoofdstad van Frankrijk.

Nu torenen hijskranen boven betonnen karkassen uit. Roubaix herbouwt op zijn puinhopen, al twintig jaar. En het komt maar niet af. Het centrum ademt langdurige werkloosheid en grauwheid, een bioscoop en een fritesraam bieden vertier.

En dan kom je in de Rue de l’Espérance. Is er een betere naam voor de uitweg naar een andere sfeer? La Piscine is wat je krijgt als je Roubaix binnenstebuiten keert. Een verleden dat aanleiding geeft tot trots, industrie die de voedingsbodem bleek voor esthetiek.

Dat komt vooral door het gebouw zelf. Achter de rechthoekige façade is La Piscine wat de folders beloven: een museum in een zwembad. Een leeuwenbek in art decomozaïek spuit water in het bassin, en af en toe klinkt kindergejoel, maar dat komt door luidsprekers. Via het trappetje over de rand, blauw steentjeswerk, plons je op vlonders tussen baadsters en atleten, Händel en Lully, afgegoten in gips. Het bad is een beeldentuin geworden.

Steeds weer kijk je onwillekeurig omhoog, naar die geometrische balkonnetjes, dat majestueuze boograam, de badhokjes met een jaren-dertigbelettering. „De collectie is mooi meegenomen”, zal gids Janssens later zeggen. „De mensen komen hier voor het gebouw.”

Toen dit ‘gebouw’ in 1932 werd opgeleverd, wilde het al het mooiste zwembad van Frankrijk zijn. Architect Albert Baert volgde het schema van een abdij, met glas-in-lood en een kloosteromgang. Hij maakte er een art decofeest van, waar rijk en arm gemengd toegang hadden tot schoonheid.

In de jaren tachtig, toen de industriële instorting in Roubaix op haar dieptepunt was, sloot het zwembad, verroest en uitgewoond. De jaren negentig gingen voorbij met renovatie onder leiding van architect Jean-Paul Philippon, die eerder betrokken was bij de verbouwing van het Parijse treinstation Orsay tot het Musée d’Orsay. Ondertussen schraapte Roubaix de resten bijeen van de uiteengevallen collectie van zijn lokale museum voor Schone Kunsten.

Sinds de opening in 2001 trekt La Piscine tienduizenden bezoekers. Ze vlinderen netjes langs vitrines met porselein en aardewerk, glimlachen bij de ‘tissuthèque’ met stoffensporen uit het plaatselijke textielverleden. Talmen bij het geleende tafeltje van Picasso, bij de lokale meesters die zich ontfermden over Franse revolutie, slavernij en hanengevecht. En Lille, de bekendere noordelijke magneet, is een half uurtje met de metro.