Alleen korfbalvoorzitter is Nederlands

Sportkoepel NOC*NSF gaat sportbestuurders opleiden. Omdat goede lobbyisten van essentieel belang zijn bij het toewijzen van de Olympische Spelen van 2028 aan Nederland.

Het plan de Olympische Spelen in 2028 – een eeuw na ‘Amsterdam’ – terug naar Nederland te halen, heeft tot op regeringsniveau enthousiasme teweeggebracht. De ambitieuze plannen worden aangejaagd door sportkoepel NOC*NSF, die daarvoor een breed draagvlak zoekt bij de Nederlandse samenleving. Er is echter een probleem: leden van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), die over toewijzing beslissen, ontmoeten nauwelijks Nederlandse lobbyisten. Om de simpele reden dat weinig Nederlanders invloedrijke posities als internationaal sportbestuurder bekleden. Als daar niet snel verbetering in komt, voorspellen Anton Geesink (IOC-lid), Hein Verbruggen (erelid IOC) en Els van Breda Vriesman (oud-IOC-lid) een zinloze missie.

Dat vooruitzicht heeft iets aandoenlijks: plannenmakers die groot denken en deskundigheid op tal van terreinen raadplegen om de sportinfrastructuur op olympisch niveau te brengen, maar in de beslissende fase struikelen over het gebrek aan contacten binnen het IOC. Het is alsof een auto wordt geassembleerd waarvan bij aflevering het stuur blijkt te ontbreken. Maar of wij Nederlanders het nu rechtvaardig vinden of niet, ook Olympische Spelen moeten je gegund worden. En dan is een lobby onmisbaar.

Uitgerekend op dat terrein is de Nederlandse invloed tanende. Verbruggen is geen IOC-lid meer, maar kan nog van betekenis zijn, omdat hij tot erelid is benoemd. Van Breda Vriesman heeft alle IOC-functies neergelegd, nadat ze in november de verkiezing om het voorzitterschap van de internationale hockeyfederatie IHF had verloren. En zodra kroonprins Willem-Alexander zich als IOC-lid moet terugtrekken omdat hij de troon bestijgt, blijft alleen Geesink over als IOC-lid. Bij de sportfederaties is het nog slechter gesteld. Nederland is weliswaar met zo’n 150 mensen internationaal vertegenwoordigd, maar voornamelijk op het niveau van (technische) commissies. Jan Fransoo is de enige voorzitter van een internationale federatie, maar in het niet-olympische korfbal.

Bestuurslid André Bolhuis van NOC*NSF, de portefeuillehouder van het Olympisch Plan 2028, verontrust die situatie vooralsnog niet. „Als er in 2021 over onze eventuele kandidatuur gestemd moet worden, zijn heel andere mensen lid van het IOC. Wij moeten daarom aan een nieuwe generatie sportbestuurders werken. Ik denk aan sporters die in Peking of kort daarvoor succesvol waren. Die moeten we opleiden voor een periode van twintig jaar, denk ik. Het duurt even voordat een sportbestuurder ook invloed heeft.”

Mede op voorspraak van Verbruggen en Van Breda Vriesman maakt NOC*NSF er sinds kort werk van om geschikte kandidaten klaar te stomen voor internationale functies. Onder leiding van Marije Dippel, beleidsmedewerkster Beleid en Strategie, is een achttal namen op papier gezet van mensen die voldoen aan een speciale profielschets. Volgens Dippel hebben de betrokkenen informeel al positief gereageerd. Het is de bedoeling dat zij een ‘klasje’ vormen met veel individuele begeleiding, waarbij Verbruggen en Van Breda Vriesman een rol zullen spelen.

Geesink in mindere mate, omdat hij als IOC-lid bij voorkeur zelfstandig opereert. Maar hij was wel degene die het probleem in een vroeg stadium aankaartte; naar zijn zeggen al meer dan tien jaar geleden. In 2006 schreef Geesink nog een brief aan de bonden waarin hij waarschuwde voor ondervertegenwoordiging van Nederlanders in zowel olympische als sportorganisaties. En hij ziet nog steeds geen verbetering. „We kunnen fantastisch sportwedstrijden organiseren, maar we zijn niet goed in het grondwerk. Als dat niet verandert, ben ik ervan overtuigd dat het niet zal lukken de Olympische Spelen naar Nederland te halen.”

Als Geesink er door NOC*NSF niet om gevraagd wordt, zal hij geen landgenoten promoten; daarvoor heeft hij het te druk. Maar Geesink weet wel hoe het werkt. „Je veel laten zien. IOC-leden moeten je kennen en een praatje willen maken te midden van 150 personen. Als jij wat voor hen kunt doet, kunnen zij wat terugdoen. Het is toch: voor wat hoort wat.” Die mening deelt Van Breda Vriesman. „Als mensen jou kennen en waarderen, geef je ze het gevoel dat de Spelen in jouw land in goede handen zijn.”

Het was volgens haar bittere noodzaak voor NOC*NSF de sportlobby serieus te nemen. Op kritische toon: „Want het heeft altijd ontbroken aan een plan. Toen ik in de jaren tachtig werd gekozen in het bestuur van de IHF was dat het resultaat van een uitgewerkte strategie van de Nederlandse hockeybond, die ook geld in een campagne had gestoken. Ik heb tegen NOC*NSF gezegd dat het vijf voor twaalf is, want met een verkiezing alleen ben je er niet. Een sportbestuurder zal eerst aan zijn bekendheid moeten werken. Ik besef dat het niet eenvoudig is voor een veertiger die middenin zijn carrière zit en een gezin heeft. Het is vrijwilligerswerk waarvoor je veel van huis bent.”

Steun is belangrijk, vindt Verbruggen, maar hij denkt dat iemand voornamelijk op basis van eigen ambities en eigen kunnen een goed sportbestuurder wordt. „Ik kan niet zeggen dat ik veel hulp vanuit Nederland heb gehad. En ik zou eerlijk gezegd ook niet weten welke hulp ik had moeten krijgen. Het gaat zoals het loopt; er moet ook maar net een belangrijke functie vrijkomen op een moment dat het jou uitkomt.”

Eenmaal op een hoge positie, dan kan veel geregeld worden, weet Verbruggen. Want Nederland dankt veel grote kampioenschappen aan zijn lobby. „Een bondsvoorzitter speelt een belangrijke rol bij het toekennen van evenementen. Als hij of zij gaat dwarsliggen wordt het moeilijk een groot evenement te krijgen. Het helpt als je veel vrienden hebt.”