Eenzaam aftasten naar wat te doen

Hélène Berr laat de angst en vertwijfeling zien van iemand in afwachting van een onafwendbare martelgang.

En hoe het worstelen is met de onwetendheid om je heen.

Hélène Berr in 1942 Foto uit besproken boek Hélène Berr: Oorlogsdagboek 1942-1944. Met een voorwoord van Patrick Modiano. Vert. Marianne Kaas. De Geus, 326 blz. € 22,50
Hélène Berr in 1942 Foto uit besproken boek Hélène Berr: Oorlogsdagboek 1942-1944. Met een voorwoord van Patrick Modiano. Vert. Marianne Kaas. De Geus, 326 blz. € 22,50

‘Als er rampen gebeuren is het altijd mooi weer.’ Wanneer de jonge Hélène Berr in het voorjaar van 1942 besluit een dagboek bij te houden, verbaast ze zich telkens over de stralend blauwe lucht, over hoe blakend de boulevards van Parijs erbij liggen. Het is alsof haar omgeving onaangedaan blijft onder de verschrikkingen die zich langzaam opdringen. Voor haarzelf is de situatie als dochter van een welvarend gezin al even onwerkelijk.

Hélène, die net twintig is wanneer ze haar dagboek begint, leeft een leven dat in alle opzichten mooi is: mooie mensen, mooie vriendschappen, mooie muziek – en veel mooi weer. Ze is joods, op een onbewuste manier: geen synagogebezoek en thuis wordt onbekommerd varkensvlees gegeten. Wanneer ze wordt verplicht een ster te dragen, komt ze eerst in verzet. ‘Ik beschouwde het als een schande en een blijk van gehoorzaamheid aan de Duitse wetten.’

Maar een paar uur later: ‘Vanavond was alles weer anders: ik vind dat het van lafheid getuigt om het niet te doen, lafheid tegenover degenen die het wel zullen doen.’ Een paar dagen later (‘het is stralend weer’) gaat ze de straat op met ster. ‘De hele dag ben ik flink geweest. Ik heb rondgelopen met opgeheven hoofd, en ik heb de mensen zo recht aangekeken dat ze de ogen afwendden. [...] Trouwens, het merendeel van de mensen kijkt niet. Andere mensen tegenkomen die het dragen, dat is het pijnlijkst.’

Hélène is nu een tweederangsburger. Wanneer ze de metro wil instappen, bromt de conducteur dat ze in het achterste rijtuig moet. Haar vader, een vooraanstaand zakenman, wordt gearresteerd omdat hij zijn ster niet goed vastgemaakt zou hebben op zijn jas. Hij moet naar het beruchte kamp Drancy in het noorden van Parijs, vanwaar de deportaties naar Auschwitz plaatsvinden. Als het gezin hem mag bezoeken, is de sfeer onwerkelijk.

De ongerijmdheid van het kwaad, de absurde lichtheid van het alledaagse leven – wat in het begin van het dagboek nog verwondering opwekt, groeit binnen een jaar uit tot naakte verschrikking. Haar vader kan zijn deportatie nog even afkopen, maar Hélènes wereld wordt snel vernietigd: vrienden en kennissen verdwijnen. In het najaar van 1942 ontmoet ze haar grote liefde, Jean Morawiecki; een jaar later vlucht deze naar de vrije zone om zich aan te sluiten bij De Gaulle.

Na Jeans vertrek onderbreekt Hélène het dagboek. Als ze het in augustus 1943 hervat, is haar geest volkomen geïsoleerd. Ze beseft ten volle wat er gebeurt. Een van haar muziekvrienden brengt haar na een repetitie naar de metro. ‘Op de pont Mirabeau zei hij: „En, mist u het niet dat u ’s avonds niet uit kunt gaan?” Lieve hemel! Hij denkt dat we nog in dat stadium zijn! Dat heb ik al heel lang achter me gelaten.’ Ze is bang dat in de officiële geschiedenis geen plaats zal zijn voor de ongrijpbare gevoelens en ervaringen van individuen zoals zij. ‘Op dit moment beleven we geschiedenis. Degenen […] die haar zullen terugbrengen tot woorden, hebben makkelijk praten. Zullen ze ooit weten wat onder één regel van hun verhandeling aan individueel lijden schuilgaat? Wat er aan kloppend leven, aan tranen, bloed, angst onder verscholen heeft gelegen?’

Dat wordt het overheersende thema van haar dagboek: haar worsteling met de onwetendheid om haar heen, de angst voor het vergeten. Wat haar overkomt, maakt haar onverdraaglijk eenzaam, omdat het niet aan anderen uit te leggen valt. Tegelijkertijd stelt ze zichzelf onophoudelijk morele vragen: hoe zullen de mensen oordelen over haar werk voor de UGIF, een staatsorganisatie die zich inzet voor het lot van de joden, maar tegelijkertijd volkomen geregisseerd wordt door nazi’s?

En wat beweegt de Duitsers? Moet ze beestachtigheid beantwoorden met haat of moet ze erboven staan? Ze verwondert zich over een Duitse soldaat op straat, die vast en zeker haar vernietiging toejuicht, maar die tegelijkertijd ‘pardon’ zegt als hij voor haar langs loopt en die de metrodeur voor haar openhoudt.

Waarom blijft ze? Iedere dag worden er naasten opgepakt. Gaandeweg groeit in haar dagboeknotities de zekerheid dat ze het niet zal overleven. Delen van haar dagboek geeft ze in bewaring bij de kokkin, met het verzoek ze na haar dood aan Jean te overhandigen. Ze probeert zich geestelijk voor te bereiden op de beproevingen van het kampleven; ze is vastbesloten te overleven, maar beseft dat ze niet veel kans maakt. Toch stuit ze in zichzelf op de hardnekkige wil om te blijven. Moed? Plichtsgevoel? Dat verwerpt ze. Dan komt het: ‘toch, als ik plotseling mijn ‘officiële’ leven opgaf, zou dat voelen als een desertie. Niet tegenover de anderen: tegenover mezelf. Ik zou te zeer gehecht zijn geraakt aan het lijden, de strijd, de ellende, om nog aan een ander leven te kunnen wennen. Omdat de beproeving leidt tot een diepe loutering.’

Die constatering is onhelder, en klinkt bedenkelijk mystiek, maar raakt aan een inzicht dat toch begrijpelijk is: Berr ziet vluchten als een vorm van capitulatie, een vlucht voor haarzelf. Direct na haar ferme constatering wordt ze overvallen door twijfel: is het toch niet onwetendheid, een gebrek aan besef van wat haar in het kamp te wachten staat? ‘Ik weet heel goed dat ik, als we gepakt worden, niet samen met mijn ouders zal worden gedeporteerd, dat die scheiding, naast het feit van de deportatie zelf, een afschuwelijke angst voor ieder van ons zal betekenen. Dan zal ik denken: hoe kan het dat je, dat wetende, niets hebt gedaan om eraan te ontkomen?’ Ze stelt zich zelfs de lezer van haar dagboek voor, die zich achteraf afvraagt: ‘ja, hoe kan het, hoe?’

Het heeft ruim zestig jaar geduurd voordat dit dagboek, dat inderdaad lang in het bezit was van Berrs geliefde Jean, gepubliceerd kon worden. In zijn nawoord schrijft de historicus David Bellos dat Berrs dagboek een ‘blijk van ontkenning’ is, een getuigenis die laat zien hoe onwetend joden zoals zij waren. Dat is een belediging. Berr ontkent niets, ze weet alleen niet wat de juiste houding is ten opzichte van wat haar bedreigt. Het is juist dit wanhopige wikken en wegen, dit eenzame aftasten, dat je naar de keel grijpt – vooral wanneer je beseft dat dat precies is wat Berr wil laten zien, de vertwijfeling en angst van iemand die is overgeleverd aan haar eigen gedachten in afwachting van een onafwendbare martelgang. Ze heeft besloten zichzelf te blijven, ten koste van alles. Niets biedt meer houvast.

Vlak voordat ze wordt opgepakt – op 8 maart 1944 – probeert een joodse vrouw met wie ze weeskinderen verzorgt haar te troosten; ze zullen waarschijnlijk samen worden opgepakt. ‘Ze dacht dat ik [...] bang was voor mezelf. Maar ze had het mis. Mijn vrees geldt de anderen, al degenen die dagelijks worden opgepakt, al degenen die daar al doorheen zijn gegaan. Ik lijd als ik denk aan het lijden van de anderen. Als het alleen om mij ging, zou alles zo eenvoudig zijn.’

Samen met haar ouders wordt Hélène Berr in maart 1944 gedeporteerd naar Auschwitz. Haar moeder wordt vergast, haar vader doodgeslagen. Hélène zelf belandt uiteindelijk in Bergen-Belsen, waar ze begin april 1945, enkele dagen voordat het kamp door de Engelsen wordt bevrijd, aan tyfus bezwijkt. Het zal een stralende dag zijn geweest.

Foto’s van Hélène Berr op: www.spiegel.de/fotostrecke/fotostrecke-27915.html

Hélène Berr: Oorlogsdagboek 1942-1944. Met een voorwoord van Patrick Modiano. Vert. Marianne Kaas. De Geus, 326 blz. € 22,50