Een schrijver en zijn bedreigde verbeelding

Hafid Bouazza: Spotvogel. Prometheus, 119 blz. € 16,95
Hafid Bouazza: Spotvogel. Prometheus, 119 blz. € 16,95

Hafid Bouazza: Spotvogel. Prometheus, 119 blz. € 16,95

‘Het is tijd voor mijn geest om te ruien. Er valt veel te zeggen voor het schrijven met een veerpen, hoe geaffecteerd ook: met dode veren brengt men woorden tot leven. Hopelijk zichzelf ook.’ Met deze beginregels is de toon van Hafid Bouazza’s nieuwe roman Spotvogel meteen gezet. Het schrijven staat centraal. Bouazza is aan het ruien: zijn veren aan het verwisselen, in de hoop dat hij nieuwe vleugels krijgt. Dat is met Spotvogel nog niet gelukt. De indruk die deze roman achterlaat, is die van een schrijver die zijn vorm zoekt, die afrekent met de schimmen uit zijn verleden, maar tegelijkertijd vastzit in zijn oude idioom.

Spotvogel is vrij letterlijk de weerslag van die worsteling, het verhaal van een schrijver die uit het veld geslagen is en weer zijn eerste voorzichtige schreden zet in de wereld van de verbeelding. Maar Bouazza laat aan alles merken hoe moeizaam dit gaat, alsof hij er zelf nauwelijks in gelooft.

Ruim de helft van de roman gaat over de schrijver zelf, hoe die uitgeblust en depressief wordt opgelapt en uiteindelijk weer sensualiteit weet te vinden. Het verhaal waar de schrijver dan aan toekomt, is een mythische liefdesgeschiedenis zoals we die van Bouazza kennen, in een archaïsch en sensueel Nederlands. Het meisje is ‘minnelonkend’, haar heupen bewegen ‘zoals ik mijn moeders hand de zeef behendig zag schudden’.

Maar anders dan in zijn eerdere werk laat Bouazza deze liefdesgeschiedenis niet haar eigen beloop. Telkens onderbreekt hij zijn vertelling met mededelingen als: ‘tijd om de pen neer te leggen, maar ik moet nog even door.’ Dat brengt de aandacht weer terug naar de worstelende schrijver die een literaire wereld probeert te scheppen. En naar de vraag welke stoorzender zijn verbeelding in de weg zit.

Bouazza kiest er welbewust voor om het antwoord op die laatste vraag niet direct te geven. Maar in zijn afsluitende commentaar op het liefdesverhaal, dat eindigt met vrouwenfoltering en dood, liggen de aanwijzingen. Het gekrijs van het meisje, als zij door haar vader en haar broers verminkt wordt, doet zelfs ‘de spotvogels van Orpheus’ zwijgen. En dan blijkt dat de titel van de roman verwijst naar de auteur zelf: zelfs de verbeeldingswereld van de schrijver is niet bestand tegen de wrede onderdrukking van de zinnelijke liefde.

In deze laatste bladzijden van Spotvogel proef je een aanklacht tegen onderdrukking van moslimvrouwen in Nederland, en tegen elke verstoring van de liefde uit naam van een geloof. Het is ongetwijfeld welgemeend, maar overtuigen doet het niet. Daarvoor is het geheel van de roman te gekunsteld, te veel uit evenwicht. Bouazza slaagde er met Paravion indertijd wél in om met een verhaal vol verbeeldingskracht tegelijkertijd commentaar te leveren op de dubbele moraal waarmee geëmigreerde Marokkaanse mannen hun vrouwen in een keurslijf duwen.

In Spotvogel daarentegen zijn de illusieloosheid en de machteloosheid van de schrijver een middel om aan te geven dat het Bouazza menens is met zijn boodschap. Ook na de pogingen om in de laatste hoofdstukken van de roman de verbeelding weer te laten spreken, gaat Spotvogel nog steeds over de machteloosheid van de auteur. En hoe edelmoedig die pogingen ook zijn, niemand zit te wachten op de excuses van een schrijver.

Ewoud Kieft