Een popje als frontsoldaat

Scène uit De Grote Oorlog van Hotel Modern Foto Herman Helle
Scène uit De Grote Oorlog van Hotel Modern Foto Herman Helle Helle, Herman

En het lichaam van een man

Hangt in het prikkeldraad

Geraakt onder zijn helm

Gezicht zonder gelaat

Vertel van die verschrikking

Maar niet aan mij

Ik hoef niet meer te weten

Ik was erbij

Dat was hij echt, dacht zanger en musicus Bram Vermeulen. Hij geloofde dat hij een gereïncarneerde Waalse officier was, die in de Eerste Wereldoorlog aan het Vlaamse front was gesneuveld. Aan tafel zat hij als een officier, zei hij: een beetje arrogant achterover geleund, benen statig over elkaar. En bij een bezoek aan de Somme kon hij zonder kaart blindelings de weg vinden. Gek vond hij het niet, vertelde hij ooit in een gesprek. Gek, dat waren mannen die elk jaar in uniform diverse slagen van WO I naspeelden. Omarm dan de hele gedachte, vond Bram, accepteer de consequentie; gelóóf. Hij deed dat, en zijn overtuiging heeft tot twee van zijn mooiste albums geleid: De Mannen, en Oorlog aan den Oorlog. Bovenstaand citaat komt uit het ontroerende Ik was erbij, afkomstig van die tweede plaat.

Je kunt lachen om de gedachte van reïncarnatie, maar Bram Vermeulen zocht simpelweg een verklaring voor zijn bijzondere belangstelling; een fascinatie die ver reikte over grenzen van land, tijd en rede. Hij staat daarin zeker niet alleen: steeds opnieuw en overal vallen mensen voor het verbijsterende verhaal van die oorlog. Ik heb me ook over mijn eigen fascinatie verbaasd.

Zeker is dat het onderwerp nog altijd mensen weet te raken, en gelukkig zijn sommigen van hen liedjesschrijvers, dichters, schrijvers of theatermakers. Hun interesse resulteert in steeds weer nieuwe aangrijpende, actuele kunstuitingen over die oude oorlog. Mijn favoriete roman erover bijvoorbeeld, stamt uit 2002. In De officierskamer vertelt de Franse schrijver Marc Dugain het levensverhaal van zijn grootvader, die aan het front afzichtelijk en onherstelbaar aan zijn gezicht gewond raakte. Zonder het ooit zelf te hebben meegemaakt brengt Dugain de oorlog bijna fysiek dichtbij, als zijn hoofdpersoon ontwaakt na een granaataanslag en langzaam de schade aan zijn gezicht ontdekt. „Met mijn tong ga ik rond in mijn mond. Onderin raakt die het tandvlees van de onderkaak: de tanden zijn verpulverd. Bovenlangs loopt een gang zonder einde: Mijn tong ontmoet geen weerstand en als hij in de neusholte aankomt besluit ik dit eerste bezoek te onderbreken.”

WO I inspireert ook tot strips: de Fransman Jacques Tardi tekent het leven in de loopgraven, in heldere lijnen, met karikaturale figuren tegen een somber, realistisch decor.

Maar het verrassendste voorbeeld dat ik ken van een eigentijdse artistieke verwerking van deze oorlog is waarschijnlijk de poppentheatervoorstelling De Grote Oorlog van Hotel Modern. Dit gezelschap slaagde erin met een piepklein popje van draad en lappen, gefilmd met vingercamera’s en geprojecteerd op een scherm, een geloofwaardige, hartverscheurende frontbeleving op te roepen. Het publiek kijkt letterlijk mee met de frontsoldaat, voelt zijn eenzaamheid, zijn onzekerheid, zijn angst. Nagebootste explosietjes veroorzaken een verontrustende, kruidige geur, die zich mengt met die van modder. Het popje overleeft het niet. Uiteindelijk kantelt de camera, en gaat het beeld op zwart.

Dichterbij kun je niet komen, tenzij je het zelf hebt meegemaakt.