De crash, en de Turkse kans op het EU-lidmaatschap

Gedenkwaardig cultuurbotsinkje, afgelopen woensdag bij Pauw en Witteman.

Aan tafel zat de aardige zakenman Mustafa, die in een week tijd het merkbeeld is geworden van de ramp met de TK 1951. Hij was de man die samen met zijn neef Mustafa (na Fassbinder heten Turken niet meer allemaal Ali) levend uit het gebroken vliegtuig klom, en weer terugklom om mede-passagiers te redden. Die door alle negenendertig Nederlandse zendgemachtigden ter plekke werd geinterviewd, en daarna nog eens te gast was gevraagd bij al hun negenendertig actualiteitenrubrieken. Die vanwege zijn kraakheldere verslag van de gebeurtenissen meteen kroongetuige van de Raad voor de Verkeersveiligheid had kunnen worden. En die nu was uitgenodigd om te reageren op de persconferentie van Pieter van Vollenhoven.

Je zag meteen dat ’t ’m was tegengevallen. Een crash had hij kunnen overleven. De rouw om drie heldhaftige piloten aan wie 125 mensenlevens te danken zouden zijn geweest, zou hij verwerken. De beelden van de catastrofe bleven tot z’n dood bij hem. Maar dat hij deze trauma’s met zich mee moest dragen vanwege een defect (linker-) radiohoogtemetertje – dat was te veel gevraagd. Dat leek hij de zwager van ons staatshoofd ook persoonlijk kwalijk te nemen: die had, zag je door zijn vriendelijke hoofd gaan, ook wel met iets minder lulligs tevoorschijn kunnen komen.

De poging van Jeroen Pauw om hem vertrouwd te maken met de Nederlandse wijsheid dat ongelukken in een klein hoekje zitten, was niet aan hem besteed. Een pracht-Boeing van Turkish Airlines in een armoedig aardappelveld; negen doden waaronder vijf landgenoten; meer dan tachtig gewonden; de Turkse eer op het spel – dat allemaal het gevolg van een klein hoekje?

Hij zei het niet expliciet, maar je kon het als het ware voor in zijn mond zien liggen. Wat je nog wel half kon horen was de nogal raadselachtige opmerking dat Pieter de zaak ook anders had kunnen formuleren. Jammer genoeg gingen de presentatoren daar niet verder op in, want het woord was aan Benno Baksteen, die als ervaringsdeskundige het defecte (linker) radiohoogtemetertje met zó veel modaliteiten begon te omzwachtelen dat het tenslotte waarachtig nog ergens op begon te lijken.

Ik voelde intussen met de Mustafa’s mee. Zeker omdat in de media al een paar uur na het ongeluk de vraag begon door te zaniken of het wel raadzaam was geweest om een beschaafde luchthaven als Schiphol bloot te stellen aan Turken van wie je immers nooit zeker wist of ze wel fatsoenlijk hadden leren vliegen. EenVandaag (AVRO en TROS), een van die roezemoesrubrieken waarvoor Sjuul Paradijs niet met Wakker Nederland zou hoeven komen, stelde de vraag regelrecht, en liet haar, zonder antwoord te geven, prettig hangen. Oude truc.

Alle dagen daarna bleef ’t doorzoemen. Een roezemoescolumnist in Het Parool stelde gisteren vast dat de Turken (hoe dúrven ze!) praatjes kregen, en Nederlandse hulpdiensten, Nederlandse verkeersleiders en Nederlandse Polderbanen zelfs van alles gingen verwijten, terwijl we allemaal wisten dat kleine en grote Turkse maatschappijtjes met toestemming van Allah de lucht onveilig maakten, en liefst ook de christelijke lucht van Europa wilden besmeuren! En dat wilde lid van de EU worden! Over ons lijk dus.

Vanaf het moment dat de voorzitter van de Raad voor de Verkeersveiligheid voorzichtig had geopperd dat de bemanning van de rampvlucht misschien te laat op het defecte (linker) radiohoogtemetertje had gekeken, was het hek van de dam. Op alle sites stroomden de anonieme commentaren binnen: allemaal in het troosteloze jargon – bijna al Turks tuig - waaraan je het electoraat van Wilders herkent dat volgens het Sociaal Cultureel Planbureau steeds normaler, en steeds Nederlandser wordt.

De Mustafa’s zullen het nog merken. Nederlandse ongelukken beginnen in een klein hoekje.