Beter onderwijs kan ook met minder geld

Schoolbestuurders moeten ophouden steeds meer geld te vragen, meent Ton van Haperen. Door de recessie moet het roer om. Tijd voor ingrijpende maatregelen.

Het wordt wel eens vergeten, maar de Nederlandse overheid maakt al jaren geld vrij voor beter onderwijs. Tussen 1995 en 2005 stegen de onderwijsbestedingen als percentage van de totale publieke uitgaven van 8,9 procent naar 11,5 procent.

Minister Plasterk trekt vanaf zijn aantreden in 2007 de lijn door. Voor de verbetering van de kwaliteit van de leraar heeft hij een bedrag van 1 miljard euro over. Ook ouders en leerlingen krijgen hun deel: schoolboeken zijn voortaan gratis. Kosten voor de belastingbetaler: 300 miljoen euro. Dit vindt plaats in een recessie.

Maar schoolbestuurders lijken niet te beseffen dat de tijden veranderen; zij blijven onverstoord hun claims indienen. Hoog opgeleide leraren een beter salaris? De gymnasia eisen extra geld. De overheid wil per jaar duizend uren les? Niet met dit budget! En dan zijn er nog zorgleerlingen, kleine plattelandsscholen, allochtonen in de grote steden, dyslexie, aftandse gebouwen, kenniseconomie – het overvragen laat zich niet stoppen. En dat gedrag roept de vraag op: wat is het maatschappelijk rendement van al dat geld?

Het antwoord is teleurstellend. Neem die gratis schoolboeken. Deze zomer bestellen scholen de leermiddelen, betalen die uit hun budget en krijgen in ruil daarvoor zo’n 300 euro per leerling.

Dat bedrag is het begin van alle misère: het is namelijk een nationaal gemiddelde, voor sommige leerlingen te hoog, voor vele te laag. Vooral havo en vwo zitten klem. Deze schooltypen hebben veel theoretische vakken, liggen aan het schoolboekeninfuus en moeten kiezen tussen aanvullen van de ontstane tekorten uit het bestaande budget of bezuinigen op het leermiddelenpakket.

Schoolleiders staan voor dilemma’s als: werkboeken in plaats van bijscholing, een toetsenbundel het gebouw in of de conciërge eruit. De uitkomst laat zich raden: de kaasschaaf gaat over het boekenpakket. En dat is pijnlijk, want de afgelopen decennia is het opleidingsniveau van leraren gedaald en de afhankelijkheid van de professionele schoolboeken gestegen. Bezuinigen op leermateriaal betekent dat vakinhoudelijk zwakke leraren vanaf volgend jaar zelf de oefenstof en de toetsen gaan ontwikkelen. Dat is bepaald geen kwaliteitsimpuls.

Nou, zal de minister zeggen, dat gaat reuze meevallen, want net aan de kwaliteit van leraren wordt gewerkt. Plasterk hoopt met zijn miljard euro een toestroom van academici te bewerkstelligen. Die zijn vakinhoudelijk goed opgeleid, ontlenen plezier aan de omgang met kennis en kunnen zelf leermateriaal ontwikkelen.

Maar dan de uitvoering. De minister trekt dat miljard uit voor een betere beloning voor leraren met een eerstegraads bevoegdheid. Dat is een prikkel die vakinhoudelijk zwakke tweedegraders uitnodigt tot studie. Deze gaan masaal studeren voor een eerstegraads bevoegdheid vanwege het uitzicht op een salarisverhoging van duizend euro per maand.

Die eerstegraads bevoegdheid kunnen ze aan een hogeschool of aan een universiteit halen. Maar toegang tot de universitaire lerarenopleiding is alleen mogelijk met een universitaire vakmaster. Voor hogeschoolbachelors betekent dat twee jaar fulltime studeren alleen al om aan de eerstegraads opleiding te mogen beginnen. Vandaar dat zij unaniem kiezen voor het hogeschooltraject. Daar levert een wekelijks bezoek een eerstegraads diploma op.

Het zijn deze leraren die straks de dure lessen gaan geven. De academicus die van buiten komt, mag met de pet in de hand achteraan sluiten. Wat een impuls moest zijn voor de kenniseconomie, beweegt in werkelijkheid tussen stilstand en achteruitgang.

Het voordeel van een economische crisis is dat die aanzet tot reflectie en verandering. Denk daarom beter na wat de effecten zijn van maatregelen. En durf het roer om te gooien.

Nationaliseer daarom de beheerfunctie van schoolbesturen en geef scholen de ruimte om het verschil te maken met waar ze goed in zijn: onderwijs verzorgen.

Meer academici voor de klas betekent dan een nationale salarisschaal voor universitair opgeleide leraren, hbo-masters en hbo-bachelors. Zo luidde ook het advies van de commissie-Rinnooy Kan aan minister Plasterk.

En die gratis schoolboeken? Laat experts nationaal leermateriaal ontwikkelen. En nee, dat is niet vreemd. De productie van de centrale examens gaat namelijk precies zo. Het onderwijs kan met minder heel veel beter.

Ton van Haperen is leraar economie, lerarenopleider en publicist.