'Vlees is geen geboorterecht'

De Amerikaanse wetenschapsjournalist Michael Pollan schreef twee bestsellers over de houdbaarheid van onze voedselproductie. „Bewust beleid zorgt er nu voor, dat hamburgers goedkoop zijn en peren duur.”

‘Voedsel is pure politiek. Hoe meer je ervan weet, hoe meer je erachter komt dat stemmen met je vork iets buitengewoon bevredigends heeft. Je kunt de wereld echt veranderen, met één hapje tegelijk.”

Het is niet moeilijk te bedenken waarom de Amerikaanse wetenschapsjournalist Michael Pollan in de afgelopen twee jaar uitgroeide tot de held van de alternatieve voedselbeweging. Dat is een klein, maar publicitair gezien luidruchtig conglomeraat van slow-food-adepten, biologische eters, dierenpartijleden en andere voedselverontrusten dat het supermarktaanbod afwijst en zich grote zorgen maakt over de houdbaarheid van ons voedingsstelsel. Dat heeft gezorgd voor goedkoop en overvloedig eten in ons deel van de wereld, maar blijkt, met zijn afhankelijkheid van olie, gevaarlijke concentraties vee en verspreiding van welvaartsziektes, ook grote problemen te bevatten.

Pollans roem dateert van 2006, toen hij The Omnivore’s dilemma publiceerde. In dit boek vroeg hij zich af waarom Amerikanen niet meer weten waar hun eten vandaan komt, en beschreef hij zijn speurtocht naar de herkomst van drie soorten eten – fastfood, een biologisch maal en een zelf bijeengejaagde en verzamelde maaltijd.

Pollans turf van zeshonderd pagina’s over de ingrediëntenlijst van de McDonalds McNugget, landbouwpolitiek, maisveredeling en de voordelen van gewasrotatie won onverwacht drie belangrijke prijzen, kwam op alle belangrijke jaarlijstjes van 2006 terecht en staat nog steeds in de bestsellerlijsten. Ook succesvol was de opvolger In Defence of Food, an Eater’s Manifesto (vertaald als Een pleidooi voor echt eten, 2008), een dunner en bozer boek, vol mantra-achtige tips voor wie niet meer weet wat voor eten hij moet kiezen. ‘Eet minder, betaal meer.’ ‘Eet vers. Niet te veel. Vooral planten.’

Onlangs was Pollan, een tanige figuur wiens lange gezicht bruusk wordt doorsneden door de horizontale streep van zijn bril, in Amsterdam op uitnodiging van zijn Nederlandse uitgever en de Stichting Biologica. De avond daarvoor sprak hij in Zeist voor een zaal vol mensen uit de voedingsindustrie en de alternatieve voedselbeweging. „Mijn bijdrage is eenvoud”, zei hij daar, en inderdaad demonstreerde hij het uit zijn boeken bekende vermogen om ingewikkelde kwesties dicht bij huis te brengen. Hij gaf er ook blijk van het strijdbare optimisme dat zijn lezers houvast en een idee van macht geeft, in een kwestie die juist buiten onze invloed en ons gezichtsveld is geraakt: de manier waarop ons eten wordt geproduceerd. „We zijn wat we eten”, zei hij in Zeist. „De eerste keer dat een baby zijn mondje stijf dichtknijpt en nee schudt tegen de hem voorgehouden hap, is als het ontstaan van een politieke identiteit.”

Maar nee-schudden tegen het fruit in flesjes en de soep in zakjes van de voedingsindustrie is niet langer het enige dat Pollan bepleit. Aan de vooravond van de verkiezing van Barack Obama tot president, publiceerde hij in The New York Times een open brief aan de ‘Farmer in Chief’, vol radicale en hier en daar tuinkabouterig klinkende voorstellen voor vernieuwing van de landbouw. De belangrijkste thema’s van de presidentsverkiezingen, energie, volksgezondheid en veiligheid, komen samen in voedsel, schreef hij. Stop daarom met het subsidiëren van olieslurpende monoculturen, streef zoveel mogelijk naar zonne-energie en voedselsoevereiniteit, belast junk food en stimuleer tuinieren door de aanleg van een voorbeeldmoestuin achter het Witte Huis. Centrale motto van het stuk: zo veel mogelijk terug naar de natuur. Maar wil Pollan ook terug naar vroeger?

In In Defence of Food schrijft u: eet niets dat je grootmoeder niet als eten zou herkennen. Was het verleden ideaal?

„Hoe meer ik me in voedsel verdiep, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat traditie ons op het vlak van gezond eten meer te bieden heeft dan de moderne voedingswetenschap. Maar dat betekent niet dat we ooit in een soort voedselutopie hebben geleefd. Voor het tijdperk van industrieel eten – veel vlees, witte suiker en wit meel – kwamen welvaartsziekten veel minder voor, ook omdat we toen actiever waren en minder calorieën binnenkregen. Maar we aten ook eenzijdiger en vaak was er echt te weinig. Het kan heel goed dat wat een gouden eeuw was voor onze lichamen, geestelijk aanvoelde als eentonigheid of gebrek.”

Als hem in Zeist gevraagd wordt of hij tegen technologie is, komt Pollan met een verhaal over een boer uit Virginia, wiens gemengd bedrijf een grote rol speelt in The Omnivore’s dilemma. Deze Joel Salatin dirigeert zijn dieren in een geraffineerde volgorde van grazen en bemesten over zijn weilanden, met een goede opbrengst en een gesloten ecologische kringloop als resultaat. Dankzij Pollan is Salatin onder Amerikaanse voedselfanaten zelf een soort beroemdheid geworden, met inmiddels zeven eigen boeken en filmpjes op YouTube. Voor Pollan is de boerderij van Salatin een soort laboratorium, legt hij uit tijdens een interview in Amsterdam.

„De toekomst van landbouw ligt in het zoveel mogelijk nabootsen van natuurlijke processen, om milieuschade te beperken. Gewasrotatie is niet pre-industrieel, het is postindustrieel. Ook de VN-voedselorganisatie FAO pleit ervoor. In Argentinië zijn er goede resultaten mee bereikt: vijf jaar vee op een weiland, dan drie jaar graan zonder kunstmest. Maar al het vee gaat nu naar megastallen omdat soja meer buitenlandse deviezen oplevert. Ik zeg: subsidieer gewasrotatie, in plaats van monocultuur. Laat boeren verdienen als ze bijdragen aan de oplossing in plaats van aan het probleem.”

Begrijpt u dat men u ziet als een nostalgicus?

„Telkens als je technologie bekritiseert, ben je een tegenstander van vooruitgang. Als je de voordelen van lokaal eten opsomt, ben je voor autarkie en wil je de klok terugzetten. Waarom zo benauwd? Ik constateer alleen dat het nu de verkeerde kant op gaat en ik pleit voor meer onderzoek naar best practices. Er is niet één oplossing en er valt overal nog veel te verbeteren. Neem biologische landbouw. Daarin probeert men de natuur na te bootsen. Prima, maar waarom zo primitief? Of neem genetische manipulatie. Kansrijk, maar waarom richt men onderzoek alleen op het versnellen van groei, en niet op gewassen waar ze in Afrika iets aan hebben? Maar bovenal pleit ik voor een minder primitieve manier van denken. Waarom kunnen we niet erkennen dat bepaalde onderzoeksterreinen nog braak liggen? Als iets klein is, zoals Salatins boerderij, waarom nemen we dan meteen aan dat het waardeloos is? En waarom is iets ouderwets als er geen computers of chemicaliën bij betrokken zijn?”

Maar kunnen kleinschalige boerderijen als die van Salatin de megasteden van de toekomst voeden?

„Natuurlijk kan New Jersey New York niet voeden. Maar het is, in het licht van de eindigheid van de olievoorraad en de aanwezigheid van food deserts in de stad, plekken waar letterlijk geen kruimel onverpakt eten te vinden is, idioot om niet te onderzoeken of New Jersey New York niet méér kan voeden dan nu het geval is. De vrijhandelsideologie heeft lokale voedselsystemen vernietigd; alles moest van overal komen. Laten we ze weer tot leven wekken. ”

Wat zijn de gevolgen van de recessie voor de hervormingen die u bepleit?

„Alternatief eten is duur en iedereen bezuinigt nu op eten. McDonald’s bloeit. Anderzijds heeft de combinatie van de energiecrisis en de piek in voedselprijzen ook heilzame effecten. We zijn ons bewust geworden van de relatie tussen voedsel en energie. Ook heeft de voedselcrisis het besef teruggebracht dat voedsel niet zomaar handelswaar is, dat het anders dan de productie van televisies, wél belangrijk is om landbouw in eigen huis te houden. De roep om vrijhandel stagneert, overal ter wereld zijn landen bezig met stimulering van lokale landbouw.”

Bent u voor meer protectionisme?

„Je moet in elk geval de afweging kunnen maken. Zeggen dat ik bananen uit Europa wil verbannen, is een karikatuur maken van wat ik bepleit. Wil je, zoals de vrijhandelsideologie voorstaat, volledig afhankelijk zijn van voedsel dat van ver wordt aangevoerd terwijl het olietijdperk zijn eind nadert? Willen we echt dat zalm uit Alaska op en neer gaat naar China om daar gefileerd te worden? Op dit moment is de balans tussen lokale, nationale en internationale voedselsystemen zoek en het minste wat we kunnen doen, is proberen die te herstellen.”

Hoe ziet u de toekomst?

„De alternatieve systemen zullen groeien, tegen de verdrukking in. Maar het staat natuurlijk vast dat echte verandering pas wordt bereikt als de grote spelers omgaan. Die zullen elementen van de alternatieven overnemen. Dat zal misschien ten koste gaan van efficiëntie, maar onze huidige efficiëntie bestaat alleen omdat we externe kosten niet verdisconteren – migratie, schade aan gezondheid, aan de natuur. Het kan niet anders of beleidsmakers gaan dat inzien.”

Maar zijn ze in staat ernaar te handelen? Lukt het Afrikaanse regeringen in geldnood bijvoorbeeld nog hun landbouwsectoren weer op te bouwen?

„De grote uitdaging voor het boerenbedrijf in de eenentwintigste eeuw is ervoor te zorgen dat heel veel mensen op het platteland willen werken. Wat dat betreft springt Afrika er gunstig uit, daar zijn nog veel kleine boeren.”

Het postindustriële boeren dat u beschrijft is complex werk. Kunnen veranderingsmoede Afrikaanse boeren zonder scholing dat leren?

„Het vereist vooral gezond verstand, kennis van je omgeving en kennis van je dieren. Dit type kennis is veel meer gebaseerd op het raffinement van ervaring. Wij hebben die kennis ingeruild voor oplossingen uit een flesje, maar daar is die kennis nog aanwezig.”

Overal ter wereld ontvolkt het platteland. Overal ter wereld investeren regeringen meer in steden dan in het platteland. Kan die trend gekeerd worden?

„Het zal wel moeten, en de manier die ik bepleit levert misschien een bijdrage. Heel belangrijk zal de prijsverdeling zijn; boeren moeten niet langer uitgebuit worden. Maar hoe dit in andere werelddelen precies gedaan moet worden weet ik niet. Het internationale verhaal is niet mijn onderwerp.”

Waarom eigenlijk niet? Het Amerikaanse voedingsstelsel en de subsidies daarop zijn van grote invloed op de rest van de wereld.

„Dat heeft een praktische reden. Zolang mijn zoon op school zit, wil ik niet lang van huis. Dit soort onderzoeken vergt ontzettend veel tijd.”

Enig idee hoeveel publiek geld er nodig is om zelfs maar een fractie van uw voorstellen te realiseren?

„Natuurlijk zal het duurder zijn kinderen een gezonde lunch te verschaffen en de armen toegang te geven tot vers, gezond eten. Maar momenteel spenderen we in de VS miljarden overheidsgeld aan junk food, doordat we mais en soja subsidiëren. Laten we dat geld aan beter voedsel besteden. Denk daarnaast aan besparingen op de gezondheidszorg. Amerikanen besteden nu nog geen tien procent van hun inkomen aan eten, tegen achttien procent in 1960. Ondertussen zijn de uitgaven per hoofd van de bevolking aan gezondheidszorg gestegen van vijf procent van het bnp in 1960, naar zestien procent nu. Laten we dat zoveel mogelijk terugdraaien. Zoals het spreekwoord zegt: betaal vandaag de groenteboer, niet morgen de dokter.”

U stelt voor cola uit een voedselprogramma voor armen te halen met een wet waarin cola niet meer geldt als voedsel. Hoe zit dat?

„In de VS krijgen gezinnen onder een bepaald inkomensniveau voedselbonnen. Je mag voor die bonnen geen wijn kopen, maar wel frisdrank. Maar wijn is rijker aan voedingsstoffen dan cola! Soft drinks zijn vloeibaar snoep, niks anders. Eén op de drie Amerikaanse kinderen zal diabetes ontwikkelen. De huidige generatie wordt minder oud dan hun ouders. Dit geldt in versterkte mate voor armen, omdat er overal sprake is van voedselapartheid: armen eten ongezonder. Welnu. Als de overheid ergens een grens trekt tussen wat nog voedsel is en wat niet, mag ik me dan afvragen of we die grens op de juiste plek trekken? Waarom geen minimale eis aan de ratio van calorieën versus voedingswaarde? Dat is een minder opvallende, maar minstens zo effectieve maatregel als een junk food tax, waar ik ook niet tegen zou zijn.”

Paternalisme is geen bezwaar?

„Iets wordt vaak als paternalistisch gezien als het nieuw is. Natuurlijk, wij zijn een land dat dol is op keuzevrijheid. Maar het is erg naïef om te denken dat alleen een optelsom van zogeheten vrije keuzes onze huidige omgeving heeft geschapen. Bewust beleid zorgt er nu voor, dat hamburgers goedkoop zijn en peren duur. Bewust beleid zorgt ervoor, dat vers voedsel vooral verkrijgbaar is waar rijke mensen wonen.”

Bent u ook voor een wettelijke beperking op vlees eten?

„Je kunt er eerst heel veel andere dingen aan doen. Ook de overvloed aan vlees op ons menu is het gevolg van keuzes en bewust beleid. Je kunt niet zoveel en zulk goedkoop vlees hebben zonder veel dieren dicht op elkaar te houden, en daarvoor heb je antibiotica nodig. Dit standaard geven van antibiotica zou verboden moeten worden. Dat zou al een enorm effect hebben. In de VS worden de megastallen niet gezien als wat ze zijn, fabrieken, en ze hoeven hun enorme vervuiling dus niet te betalen. Laat ze dat wél doen.

„Zo wordt vlees al veel duurder. Als de glamourkoks een handje meehelpen, zal vlees misschien weer gebruikt worden zoals het bedoeld is: niet als hoofdmoot van het menu, maar als smaakmaker. Vegetarisme is voor de meeste mensen niet haalbaar, maar we moeten wel anders omgaan met vlees. In vlees zit een hoop pijn. Dieren sterven ervoor, mensen werken onder loodzware, gevaarlijke omstandigheden. Vlees moet met respect behandeld en spaarzaam gegeten worden.”

Als het duurder wordt, zal vlees weer elitevoedsel worden.

„Ja, zoals het altijd geweest is. De rijken zullen er meer van hebben dan de armen, maar de rijken zullen ook beter wonen en betere scholen hebben. Vlees is geen geboorterecht. Een dak boven je hoofd en goede scholing wel.”

Veel Amerikanen zien vlees eten wel als geboorterecht. Veel Europeanen ook, het zit diep verankerd in onze cultuur.

„Ja, voedsel maakt deel uit van onze identiteit en onze cultuur. Maar onze cultuur, onze houding ten aanzien van de status quo, dat alles zal in de komende decennia veranderingen ondergaan.” Opeens geïrriteerd: „Niet omdat ik dat zeg, maar omdat de manier waarop het nu gaat eenvoudigweg niet houdbaar is! Het gáát hier helemaal niet om een keuze, of om een beslissing. Het gaat hier om blind op rampen afstevenen, tenzij we iets doen.”

Voelt u zich nog journalist? Of bent u activist geworden?

„De positie die ik nu inneem voelt heel oncomfortabel. Er is in de Verenigde Staten een opkomende sociale beweging rond voedselkwesties, maar het is een beweging die uit heel veel kleine beweginkjes bestaat, en één zonder leiderschap. Ik ben min of meer tot leider gebombardeerd. Maar ook als activisten het bij het verkeerde eind hebben, wil ik ze kunnen bekritiseren, en ik doe dat ook. Ik teken geen petities, ik lobby niet. Ik ben een maatschappijkritische journalist. Ik bepleit zaken die mij zinnig lijken, maar ik schrijf niets voor en alles wat ik doe is openlijk en verifieerbaar.”

Overschreed u de grens met activisme niet door uw brief aan de president?

„Dat was een open brief, geen intern memo. Het was een artikel, in de vorm van een brief, bedoeld om discussie los te maken.”

Er was zelfs een groepje dat een lobby startte om u tot minister van landbouw te maken.

„Dat was belachelijk. Een budget van miljarden en 100.000 mensen managen? Ik ken mijn beperkingen.”

Er komt dus geen moestuin bij het Witte Huis, zoals u voorstelt?

„Nou....Obama heeft mijn stuk gelezen, heeft hij in een interview gezegd. En via via heb ik begrepen dat het best zou kunnen dat die moestuin er gaat komen, dit voorjaar.”

Michael Pollan: The Omnivore’s Dilemma. Penguin € 25,- In Defence of Food. Penguin € 19,- De vertaling hiervan, Een pleidooi voor echt eten, is verschenen bij De Arbeiderspers, € 17,50. www.michaelpollan.com