Veren op de stoep

In de Tweede Kamer is de crisis nog vooral een technische kwestie. Maar daarbuiten botsen ideologieën. „Je ziet nu een wonderlijke vermenigvuldiging van Rijnlanders.”

Buiten stormt het. Binnen is slechts een handjevol getrouwen van Frits Bolkestein samengekomen om, diep in november, mee te maken hoe de voormalig VVD-leider het eerste exemplaar van zijn nieuwste bundel politieke beschouwingen in ontvangst neemt.

Weggebleven is zijn ooit grote schare fans, nog trouw aanwezig bij eerdere presentaties. Helemaal vreemd is dat niet. Wie de bundel openslaat komt zinnen tegen die, op zijn zachtst gezegd, niet zijn toegesneden op de actualiteit van het moment. Neem: „De algemene toestand in Nederland is goed en dus is het liberale kapitalisme zoals wij dat hier kennen ook goed.”

Het is het vaatje waar Bolkestein altijd uit heeft getapt. Exemplarisch daarvoor is de „psychologische omslag” waar de zelfverzekerde pleitbezorger van het Angelsaksische aandeelhouderskapitalisme halverwege de jaren negentig in deze krant toe opriep. Wat de Nederlandse economie nodig heeft, zei Bolkestein destijds, is „een grotere belustheid op winst”. Tegelijk prees hij de financiële markten voor de weldadige wijze „waarop ze de vrijheid van democratisch gekozen politici beperken om het verkeerde te doen”.

De tijden zijn veranderd. Bolkesteins wereldbeeld, waarin individuen met oog voor het eigen belang en met al hun hebzucht en onhebbelijkheden, tezamen het publieke welbevinden vergroten, is door de crisis aan het wankelen gebracht. Winstbejag is wordt nu als probleem ervaren en de politiek eist haar plaats weer op.

„De tanende belangstelling voor het wereldbeeld van mensen als Bolkestein lijkt mij erg gezond”, zegt politiek filosoof Grahame Lock. De hoogleraar, die verbonden is aan de universiteiten van Nijmegen en Oxford, verbaast zich al jaren over de eensgezindheid onder de partijen in het politieke midden, zowel in Nederland als daarbuiten. „Sinds de val van de muur was de hegemonie van het neoliberale denkmodel overweldigend. Er leek geen enkele behoefte aan een ideologisch alternatief.”

De crisis heeft dat veranderd, zegt Lock. Hij wijst op een bijeenkomst begin dit jaar, waar de leider van de katholieke kerk in Engeland, de aartsbisschop van Westminster, publiekelijk „de dood van het kapitalisme” verkondigde.

Ook gezaghebbende Nederlanders hebben zich niet onbetuigd gelaten. Herman Wijffels, oud-bankier, prominent CDA-er en formateur van het huidige kabinet, kondigde na de val van zakenbank Lehman Brothers „een nieuwe cultuurfase voor de mensheid” aan.

Dat zijn verstrekkende conclusies. De vraag is of die ook in het Nederlandse parlement worden onderkend. En zo ja, wat betekent dat? Gaan de beginselprogramma’s van de politieke partijen in Nederland op de helling? Brengt de crisis een nieuwe kijk op marktordening en de publieke zaak?

Die vragen worden in de Tweede Kamer nog niet gesteld. Daar is het gesprek over de nationalisatie van banken vooralsnog vooral een bedrijfseconomische kwestie, geen ideologisch debat. Maar in de coulissen van de politiek rommelt het. Daar is wél een levendig debat op gang gekomen.

Kamerlid Paul Kalma vindt het begrijpelijk dat dit levendige debat nog niet is geland op het Binnenhof. Als oud-voorzitter van het wetenschappelijk bureau van de PvdA schuwt hij het gesprek over onderliggende politieke uitgangspunten niet. Maar de tijd is er nog niet rijp voor, zegt hij. „We zitten nu midden in een enorme financiële crisis die roept om directe maatregelen. Dan begin je niets met ideologisch wapengekletter.”

De coalitiepartijen hebben de oppositie een parlementair onderzoek naar de oorzaken van de crisis toegezegd. Dat is het moment, verwacht Kalma, dat een stevig debat zal worden gevoerd „op uitgangspunten”.

Ronald van Raak, die behalve Kamerlid ook directeur is van het wetenschappelijk bureau van de SP, hoopt het. „Maar ik vertrouw er niet op. De neoliberale consensus had jarenlang alle middenpartijen in de greep, ook de PvdA. Daar bestaat nu misschien schaamte over, maar ik zie bij die partijen nog niet de behoefte om in een Kamerdebat, of in een parlementair onderzoek, openlijk op de eigen schreden terug te keren.” Het is moeilijk voor de SP, zegt Van Raak, om de andere partijen te dwingen tot „een zelfonderzoek”. Hij kijkt daar naar uit, omdat hij in de crisis het „ideologisch gelijk” van de SP bevestigd ziet. Dat de SP in de debatten over de nationalisering van ABN Amro desondanks niet op dat gelijk heeft gehamerd, komt doordat „triomfalisme” volgens hem „niet werkt”. Ook bij kiezers slaat dat niet aan, zegt Van Raak. „Zo leuk is het niet dat ons beginselprogramma hout blijkt te snijden. Kiezers geven daar ook weinig om, die willen gewoon hun baan behouden.” En dat kan alleen met concreet beleid.

Lock, de politiek filosoof, meent dat het ideologisch debat buiten de Tweede Kamer wordt gevoerd, omdat politici nog geen uitgedacht alternatief zien voor het neoliberalisme. Bijna alle huidige politici, zegt Lock, zijn opgegroeid met het neoliberale denkmodel, ook de sociaal-democraten van Labour, SPD of PvdA. „Jarenlang was de enige vraag die zij zich op sociaal-economisch terrein stelden: veel liberaliseren of weinig? Sociaal-democraten zeiden dan: weinig. Dat betekende bijvoorbeeld dat de bibliotheek in nationale handen bleef. Radicaler werd het niet.”

De nationalisaties van banken moeten volgens Lock ook niet worden gezien als een terugkeer „naar het oude publieke nutsdenken”, uit de jaren zeventig en daarvoor. „Het politieke midden heeft in de crisis nog geen andere kijk gekregen op de maatschappelijke functie van financiële instellingen. Luister maar naar de minister van Financiën. Als de banken weer winst zullen genereren, moeten ze terug naar de beurs.”

Dat was anders toen in de jaren zeventig het naoorlogse sociale marktmodel in diskrediet raakte. „Politici als Reagan en Thatcher konden direct overschakelen. Ze beloofden een radicale koerswijziging, en wat dat betekende voor de praktische politiek was al uitgedacht in universiteitsfaculteiten en denktanks, door Nobelprijswinnaars als Milton Friedman en Friedrich Hayek.”

Sindsdien, zegt René Cuperus van het wetenschappelijk bureau van de PvdA, zijn de denkers bij wie politici als Thatcher houvast vonden, de universiteiten gaan overheersen. „Zeker de economiefaculteiten.” Ook onder PvdA-leden kon hij de afgelopen jaren nauwelijks een econoom van enige naam en faam vinden die niet het Angelsaksische vrije-marktmodel propageerde. „Het gevolg was dat politici over economische kwesties jarenlang hetzelfde te horen kregen.”

Onder druk van de economische crisis zit daar nu beweging in, meent Cuperus. Al is dat voorlopig nog buiten de Tweede Kamer en bij voorkeur in eigen gelederen. Zoals in de wetenschappelijke bureaus van de politieke partijendie volksvertegenwoordigers van ideeën proberen te voorzien. Zelfs politici in functie doen er aan mee, en lang niet altijd in voorzichtige termen.

Neem de christen-democraten. In het laatste nummer van het tijdschrift Christen Democratische Verkenningen schrijft minister Piet Hein Donner dat de crisis hem sterkt in de opvatting dat „de markt de moraal uitholt”. Op een van de vier crisisavonden die het CDA organiseerde, sprak premier Balkenende over de noodzaak van „een morele herbronning van het bank- en verzekeringswezen”. Op een andere CDA-crisisavond zei hoogleraar godsdienstwijsbegeerte Henk Vroom zelfs te hopen dat „een inzicht in de zonde weer wordt verheven tot een politiek principe”. De wereld heeft volgens hem ernstig behoefte aan een „relativering van verdienste”. Zonder die relativering bouwen mensen „torens tot in de hemel, die zo hard omvallen als banken of bedrijven die op drijfzand zijn gebouwd”.

Gevraagd om een toelichting, voegt de godsdienstfilosoof daar aan toe dat het neoliberalisme „één grote farce” is. Het idee dat naar eigenbelang handelende mensen tezamen het publiek welbevinden vergroten, is „puur bijgeloof”. Niet anders „dan het geloof in elfjes of kabouters”.

De oplossingen die de christen-democraten achter de schermen van de praktische politiek uitdokteren, liggen voornamelijk in het verleden. Henk Vroom praat over de waarde van rentmeesterschap. Oud-premier Lubbers vraagt om een terugkeer naar het Rijnlandse model.

In dit ondernemingsmodel is de continuïteit van de onderneming belangrijker dan het behalen van een snelle winst. Bovendien ligt de nadruk op meer belangen dan louter die van de aandeelhouders.

„We hadden nooit afscheid van dat model mogen nemen”, zei Lubbers ten overstaan van een groot aantal CDA-prominenten op een conferentie over globalisering in Den Haag. Als het Rijnlandse model nog dominant was geweest, zei hij ook, dan „was de crisis er nooit gekomen”. De conclusie van Lubbers: „Deze tijd lokt krachtig en stevig overheidsbeleid uit, waarmee we politiek, bedrijfsleven en het maatschappelijk middenveld beter met elkaar in lijn kunnen brengen.”

Paul Kalma waarschuwt. „Ja, je ziet nu een wonderlijke vermenigvuldiging van Rijnlanders.” Maar de woorden van christen-democraten zijn volgens de PvdA-er vaak groter dan hun daden. „De retoriek tegen het kortetermijndenken en het aandeelhouderskapitalisme is nooit verdwenen, ook niet tijdens de hoogtijdagen van het neoliberalisme. Maar er werd nooit iets mee gedaan. Het ging om bezweringsformules: alsof je op zondag iets anders preekt dan je door de week doet. Kijk naar Balkenende zelf. Die promoveerde op maatschappelijk ondernemen. Vervolgens ging hij neoliberaal beleid voeren.”

De PvdA heeft weer een ander probleem. De partij is in de jaren negentig ver van haar ankers gedreven, erkent Paul Kalma. In 1995, het jaar waarin Bolkestein vanuit Hotel Des Indes in de Haag de financiële markten prees, riep toenmalig partijleider Wim Kok vanuit het Amsterdamse Paradiso de PvdA op de ideologische veren af te schudden. Kalma: „Deze crisis legt die afgeschudde veren gewoon weer voor ons op de stoep. En we moeten niet aarzelen ze op te pakken.”

Niet zozeer met woorden, maakt Kalma duidelijk, maar met concreet beleid. „Dat is wat kiezers nu verwachten.” Binnen de Wiardi Beckmanstichting worden voorstellen daartoe sinds kort uitgebroed door een clubje met, onder anderen, bankiers die de PvdA goedgezind zijn, als Hans Verkoren van ING en Wim Boonstra van de Rabobank.

Kalma neemt een voorschot op hun bevindingen. Het taboe op nationalisatie van banken moet definitief „worden gekraakt”. Net als de zogenaamde universele geldigheid van vrijhandel. Volgens Kalma is protectie lang niet altijd verkeerd. Verder zal de g

ewenste scheiding tussen zakenbanken en consumentenbanken snel haar beslag moeten krijgen, net als de herinvoering van beschermingsconstructies voor bedrijven. „Opdat ze ophouden pure handelswaar te zijn.”

Bij de VVD is sinds het uitbreken van de crisis geen lijn te herkennen in de reacties onder de intellectuele achterban. De kikkers springen daar alle kanten op. Aan één uiterste staat politiek econoom Auke Leen, verbonden aan de universiteit van Leiden. Met onverholen woede constateert hij hoe, met goedkeuring van de VVD, de politiek „zowel de schulden als het eigendom socialiseert”. De politiek had „niet slechter met de crisis kunnen omgaan dan ze nu doet”.

Wat had er moeten gebeuren? Niets. Leen: „De beste oplossing wordt nu als simplistisch en zelfs lachwekkend afgedaan: individuen confronteren met de gevolgen van hun daden. Het aloude principe van winst en verlies. Want je bent voor de vrije markt of niet. Zonder verlies geen vooruitgang.”

Het verhaal over ‘systeembanken’ is volgens hem een smoesje, „een mooi woord om de mannen met de grote bonussen te redden”. Had de overheid de markt gewoon haar werk laten doen, dan waren enkele banken verdwenen. „Bankiers waren dan hun bonussen kwijtgeraakt, maar niet de prikkel om iets beters te bedenken dan de financiële producten die ze in moeilijkheden hebben gebracht. Wat we nu hebben is de denkkracht van Bos en enkele ambtenaren, terwijl we de denkkracht hadden kunnen hebben van duizenden getergde bankiers en ex-bankiers zonder bonussen.

Een diametraal tegenovergestelde analyse komt uit Groningen, waar hoogleraar intellectuele geschiedenis Frank Ankersmit opgelucht ademhaalt. Eindelijk is de politiek weer aan het woord. De crisis geeft het liberalisme de mogelijkheid, meent Ankersmit, om zich te ontdoen van het neoliberalisme, dat volgens de auteur van het Liberaal Manifest uit 2004 niet meer is dan een reclamepraatje waar de reclamemakers zelf in zijn gaan geloven. Met verstrekkende gevolgen. Volgens Ankersmit heeft de val van de Muur een omwenteling ingeleid die in omvang vergelijkbaar is met de Franse Revolutie, „maar dan een omwenteling zonder idealen”.

Ankersmit hoopt op een terugkeer naar „scheppend liberalisme”, zoals dat aan het begin van de negentiende eeuw gestalte kreeg. Met daarin aandacht voor „realistische scenario’s” van omgaan met staatsmacht en een liberale beteugeling van het kapitalisme. Maar tot zijn ergernis ziet hij daar nog niets van in zijn partij, de VVD. Teleurgesteld zegde hij deze week zijn lidmaatschap op. „De economie mag nooit de plaats van de politiek innemen en dat willen ze in de VVD maar niet zien.”

Bij CDA-ers en PvdA-ers is dat anders, waar juist het beteugelen van het kapitalisme opnieuw belangrijk onderdeel is van het ideologisch gesprek. Maar niet het enige onderdeel. Naast het zoeken van manieren waarop de overheid de financiële markten beter kan reguleren, ligt met de crisis steeds meer nadruk op een notie van persoonlijke deugdzaamheid als voorwaarde voor het goed functioneren van markt en openbaar bestuur. Sociaal-democraten verwijzen daarbij vaak naar de nieuwe Amerikaanse president Barack Obama. Juist onder zijn leiderschap en in zijn land, in het hart van het wereldwijde kapitalisme, zien talloze Nederlandse sociaal-democraten het idee aan populariteit winnen dat vrije markten niet gedijen met louter naar eigenbelang strevende individuen.

In de neoliberale periode werden klassieke deugden als matigheid, moed, en mededogen verdrongen door burgerlijke berekening. Althans, dat is de redenering van denkers als de Amerikaanse Susan Neiman, die een poging wagen de „verandering” waar Obama van spreekt, ideologische grond te geven.

Het is tegelijk een redenering waar Nederlandse christen- en sociaal-democraten elkaar, in deze crisisdagen, in toenemende mate vinden. Afgelopen week nog zei Balkenende op de G20-top in Berlijn dat het in een markteconomie vooral gaat „om de morele kaders”. En „om goed handelen”. Niet individuele vrijheid van burgers staat voorop, noch hun ‘plichten’, maar een notie van persoonlijke deugdzaamheid.

Persoonlijke deugdzaamheid; is dat dan het nieuwe in het antwoord op de crisis uit het politieke midden?

Als dat zo is, meent de SP-ideoloog Van Raak, is het veel te mager. De aandacht voor het belang van deugden is prachtig, zegt hij, maar ook een afleidingsmanoeuvre; ze verhult hoe de de politici met regeringsverantwoordelijkheid oude ideologische vragen over de rol van de overheid uit de weg gaan. Van Raak: „De crisis is niet alleen een morele kwestie, maar ook een systeemkwestie. Het systeem brengt bepaalde waarden voort. Het bevordert die. Zonder fundamentele verandering van het beleid, heeft het ook geen zin om te ageren tegen hebzucht en asociaal gedrag.”

Het parlementair onderzoek dat komt, moet niet een plek worden voor al te vrijblijvende verhalen over de crisis, meent Van Raak. Afrekenen moet er ook onderdeel van zijn. „Een meerderheid van de Kamer zegt nu: wacht nog even met dat onderzoek. Je stoort een brandweerman toch ook niet tijdens het blussen? Ik zeg: wat heeft brandblussen voor zin als de pyromaan nog rondloopt?”

Grahame Lock, de politiek filosoof, tempert de verwachtingen van een parlementair onderzoek: afrekenen noch een fundamentele verandering van beleid liggen volgens hem in het verschiet. Want hoe beroerd de economische prognoses ook zijn, het gaat volgens Lock nog niet slecht genoeg voor wat hij een „paradigmawisseling” noemt, een radicale verandering van uitgangspunten. „Het moet nog slechter gaan, omdat mensen dan uit pure wanhoop bereid zijn eens iets totaal anders te proberen. Neem het Rusland van 1917. Miljoenen Russische mannen stierven toen aan het front, iedereen leed honger en het regime was door en door verrot. De ellendige omstandigheden dwongen de overlevenden hun behoudzucht te laten varen. Daardoor kon een minuscuul groepje radicale activisten, de bolsjewieken, de macht grijpen. De gevolgen voor de mensheid zijn bekend.”