Toptalent komt niet meer hierheen

Nederland heeft net zo goed onderzoek nodig als andere landen, die er meer aan uitgeven. Het helpt de economie als de aardgasbaten zijn opgedroogd.

Universiteitshoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Utrecht.

‘What is important, is seldom urgent”, zou president Dwight D. Eisenhower ooit hebben gezegd. Het citaat wijst op een blinde vlek bij veel politici, bestuurders en managers. Ze besteden tijd en geld vooral aan het urgente, of het nu belangrijk is (de kredietcrisis) of niet (gratis schoolboeken). Onvoldoende aandacht gaat naar minder spoedeisende zaken, ook al zijn die van buitengewoon belang. Zo’n relatief verwaarloosde zaak in ons land is investeren in wetenschappelijk onderzoek, hetgeen blijkt uit de cijfers.

Aan lippendienst is geen gebrek. Zoals bekend werd in 2000 te Lissabon door Europese regeringsleiders afgesproken dat overheid en bedrijfsleven tezamen in elke lidstaat 3 procent van het bruto binnenlands product moeten besteden aan wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling (R&D), teneinde de EU in 2010 tot de meest productieve kenniseconomie ter wereld te maken. Nederland onderschrijft deze doelstelling nog steeds. Volgens een rapport van de Europese Commissie (22 januari 2009) steeg de gemiddelde investering van de EU-lidstaten in de jaren 2000-2006 absoluut gezien met 14,8 procent. Omdat het totale EU bruto binnenlands product eveneens groeide, zakte het gemiddelde R&D budget als percentage van het bbp echter van 1,86 procent naar 1,84 procent. In Japan lag dit percentage voor 2006 op 3,39 procent en in de Verenigde Staten op 2,61 procent. Israël is koploper met 4,65 procent.

Voor een welvarende natie presteert Nederland in dezen bedroevend slecht. Ons budget voor R&D steeg in de onderzochte periode in absolute termen met 0 procent. Alle andere EU-landen deden het beter (zie tabel).

Eenzelfde onthutsend beeld doemt op wanneer we de uitgaven voor wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling beschouwen als percentage van het bruto binnenlands product. Nederland lag in 2006 met 1,67 procent zelfs onder het EU-gemiddelde van 1,84 procent.

Sindsdien is het er niet beter op geworden, zoals blijkt uit het rapport van het Innovatieplatform Nederland (27 februari). De landen waarmee we ons gaarne vergelijken, geven een aanzienlijk hoger percentage van het bruto binnenlands product uit aan onderzoek en ontwikkeling (zie tabel).

Men kan ter rechtvaardiging van deze magere investering moeilijk als excuus aanvoeren dat wetenschappelijk onderzoek en ontwikkeling voor Nederland minder belang hebben dan voor andere landen. We staan voor dezelfde uitdagingen van mondiale competitie en voor dezelfde problemen van vergrijzing, klimaatverandering, energievoorziening, integratie en innovatie. Bovendien raakt ons aardgas, waardoor we decennialang in de watten lagen, binnen twintig jaar op. Moeten we dan niet het voorbeeld volgen van kleine landen zoals Zwitserland, Finland of Zweden en krachtig investeren in onderzoek? In plaats daarvan heerst hier de geest van jan salie.

Bij R&D denken we in de eerste plaats aan technologische innovatie en productontwikkeling. Die zijn vooral een taak van bedrijven en technische universiteiten, terwijl het meer fundamentele onderzoek dat op langere termijn tot innovatie kan leiden aan de klassieke universiteiten gebeurt.

Even belangrijk is echter onderzoek in allerlei andere disciplines, waardoor onze relatief grote dienstensector en het nationaal belang van Nederland sterk bevorderd kunnen worden. Door internationaal georiënteerd juridisch onderzoek te stimuleren zou het departement van Justitie bijvoorbeeld de Nederlandse greep op de Europese wetgevingsagenda kunnen versterken. En Job Cohen benadrukt in het rapport Duurzame Geesteswetenschappen, dat in 2008 werd uitgebracht door een commissie onder zijn leiding, dat de bijdrage van deze wetenschappen niet uit de maatschappij is weg te denken: „Het is van wezenlijk belang voor onze samenleving dat die [bijdrage] op hoog niveau en met grote kwaliteit geleverd wordt”.

De Nederlandse investeringen in wetenschappelijk onderzoek zijn niet alleen laag bij het bedrijfsleven. Ook de overheid blijft sterk achter. Wanneer men beleidsmakers hierop aanspreekt, plegen ze te wijzen op de zeer behoorlijke positie die Nederlandse universiteiten qua onderzoeksproductie innemen in internationale vergelijkingen.

Zo staan de universiteiten van Utrecht en Leiden in de bekende Shanghai Academic Ranking of World Universities van 2008 respectievelijk op de 47ste en 76ste plaats. In de Shanghai-lijst van 100 beste Europese universiteiten is Utrecht nummer 9 en Leiden nummer 23.

Het is goed dergelijke ranglijsten met elkaar te vergelijken, want ze meten niet altijd hetzelfde. In de wereldwijde Leiden Ranking greenlist staan drie Nederlandse universiteiten in de wereldtop-50: Utrecht (47), VU (48) en UvA (50), terwijl het Duitse Centre for Higher Education Development (CHE) vier bèta-departementen van de Universiteit Utrecht bij de topvier universiteiten van Europa plaatst. De invloed door citaties van Nederlandse wetenschappelijke publicaties is 34 procent hoger dan het wereldgemiddelde, waardoor ons land nu wereldwijd op de derde positie staat na Zwitserland en de VS. Bovendien is de productiviteit in termen van het aantal wetenschappelijke artikelen per onderzoeker de op één na hoogste ter wereld.

Is Nederland niet uitstekend bezig, indien we voor relatief weinig geld toch aardig presteren? We zouden kunnen spreken van de paradox van de onderzoeksfinanciering. Met minder middelen doen we het beter dan veel andere landen. Waarom zouden we dan meer investeren?

Op deze tegenwerping zijn ten minste vijf antwoorden te geven. Ten eerste moet men juist daarin investeren waar men goed in is. Nederland had een grote onderzoekstraditie in veel wetenschappelijke disciplines, zowel dankzij fundamenteel onderzoek aan universiteiten als door meer toegepast onderzoek in bedrijfslaboratoria zoals het Natlab van Philips. Deze traditie gaat langzaam teloor door aanhoudende bezuinigingen. Het is toch te gek dat men in het Darwinjaar de afdeling evolutionaire ecologie in Leiden wegbezuinigt?

Ten tweede is wetenschappelijk onderzoek een kwestie van lange adem. De goede resultaten van dit moment zijn het gevolg van investeringen in het verleden, vaak van tien of twintig jaar terug. Wanneer we blijven bezuinigen, zal de wetenschappelijke reputatie van Nederland in de wereld snel dalen.

In de derde plaats wordt onderzoek door wetenschappelijke vooruitgang steeds moeilijker en duurder. Om hetzelfde niveau te behouden, moet men dus meer investeren. Ten vierde is door de globalisering een internationale competitie om toptalent ontstaan, waarbij begaafde onderzoekers daar gaan werken waar het onderzoeksbudget en de infrastructuur voor onderzoek aantrekkelijk zijn. Nederland trekt in deze competitie aan het kortste eind, terwijl een klein land als Zwitserland toptalent kan aantrekken door de uitstekende financiering en infrastructuur van de ETH in Zürich.

Ten slotte is het percentage onderzoekers in Nederland met 5,6 per 1.000 het laagste van alle OESO-landen. Daardoor is er relatief te weinig menskracht om de ambitie van de Kennisagenda 2006-2016 te realiseren dat Nederland een toonaangevend kennisland wordt. Laten Nederlandse politici dus eindelijk hun plechtige beloften van Lissabon nakomen en ons landsbelang ook op langere termijn behartigen.