Sporen in Saharazand

De Garamanten in het huidige Libië konden goed met de dorre Sahara omgaan. Totdat het ook deze beschaving te veel werd. Hun ruïnes zijn nu toeristische trekpleisters.

Bizarre rotsformaties met scherpe punten steken omhoog uit het lichtrode zand. Een paar kamelen knabbelen aan de doornige takken van een acaciaboom. Even verderop, op een rotswand, staan prehistorische tekeningen van olifanten en giraffes. Het Acacus-gebergte, in het uiterste zuidwesten van Libië, herbergt honderden van dit soort afbeeldingen. Behalve olifanten en giraffes zijn ook struisvogels en paarden te zien. Allemaal dieren die in dit gebied eeuwen geleden zijn uitgestorven. Kamelen en woestijnratten zijn de enige zoogdieren die hier nog kunnen overleven.

Klimaatverandering is van alle tijden. De Sahara, die zich uitstrekt over elf Afrikaanse landen waaronder Libië, was niet altijd een woestijn. Van de Acacus is bekend dat het ooit een weelderig begroeid gebergte was met rivieren en diepe kloven. Nadat zo’n vijfduizend jaar geleden het klimaat warmer werd, sloeg de verdroging toe. Tegenwoordig is het zuidwesten van Libië een barre woestijn, met slechts een paar oases. Water komt uit putten die vaak tientallen meters diep zijn. Regen valt er bijna nooit.

In het Acacus-gebergte had klimaatverandering niet alleen negatieve effecten. „In eerste instantie vormde het een impuls voor het tot bloei komen van het Garamanten-rijk”, zegt Nicholas Brooks van de Britse East Anglia universiteit. Brooks, die archeologisch onderzoek doet in Libië, beweert dat mensen in en rondom het Acacus-gebergte door de verdroging gedwongen waren om slimmer met hun omgeving om te gaan. Dat leidde tot het ontstaan van steeds effectiever watergebruik en regelgeving. „Schaarste stimuleerde staatsvorming.”

De Garamanten, waarover de Griekse geschiedschrijver Herodotus al schreef, bereikten het hoogtepunt van hun macht tussen 500 voor Christus en 500 na Christus. Met behulp van irrigatie, waarvoor ze water uit putten haalden, werden onder meer groenten en graan verbouwd. Ook fokten de Garamanten in het Acacus-gebergte paarden, die ze bijvoorbeeld naar het Romeinse Rijk exporteerden. Wijn en olijfolie reisden in omgekeerde richting. De Romeinen deden meerdere pogingen de Garamanten te onderwerpen, maar slaagden daar niet in.

Dat het Garamanten-imperium uiteindelijk ten onder ging, kwam waarschijnlijk door een combinatie van klimaatverandering en overexploitatie van de waterbronnen. Mede door de vele irrigatie daalde het grondwaterpeil. Tegen het begin van de Middeleeuwen was een groot deel van de bevolking genoodzaakt naar andere streken te trekken. Sommigen reisden naar zwart Afrika, anderen trokken naar de kust van de Middellandse Zee.

Germa, aan de noordrand van het Acacus-gebergte, was de hoofdstad van de Garamanten. De ruïnes liggen even buiten het huidige Germa. In de verte zijn de honderden metershoge zandduinen te zien van het Idhan Ubari, een dorre zandwoestijn die zich vanuit Germa naar het noorden uitstrekt en een ideale verdediging vormde tegen de Romeinen. Om de archeologische vindplaats staat een muur, met een wit geschilderde ijzeren poort. De poort is open, en de man die toegangskaarten verkoopt is nergens te bekennen.

„Je kunt ook zonder kaartje naar binnen”, zegt Mabrouka Mokhtar, een jonge vrouw uit Germa die samen met een paar vriendinnen rondhangt bij de poort van de archeologische vindplaats. „Dat doen wij ook.” Door de toegangspoort lopen spoorrails het terrein op. Bij opgravingen in de jaren vijftig werden ze gebruikt om met een kleine trein zand af te voeren. Een paar kinderen spelen rond een aantal verroeste wagons die op de rails staan. Met flinke snelheid suizen ze over een helling naar beneden, totdat ze met een grote klap tegen een ander karretje tot stilstand komen.

De ruïnes van Germa bestaan voor het grootste deel uit overblijfselen van lemen gebouwen. Telkens als het regent, brokkelen ze verder af. De daken zijn bijna overal verdwenen, maar muren zijn in veel gevallen nog intact. Aan de westzijde van het terrein staat een oud kasteel, waarvan nog een uitkijktoren te herkennen is. Binnen is een doolhof van gangen en trappen.

Vlakbij de ruïnes ligt een oude boomgaard met dadelpalmen. Een groot aantal bomen is de afgelopen jaren doodgegaan door watergebrek. De stam staat nog overeind, maar bladeren en takken zijn bijna allemaal verdwenen, of er hangen alleen nog wat verdorde resten. De dode bomen getuigen van de verdroging van het gebied die nog steeds doorgaat. Doordat de Libische overheid in de Sahara is begonnen met het op grote schaal oppompen van water voor de geïrrigeerde landbouw, is het grondwaterpeil opnieuw aan het dalen.

Even ten westen van Germa liggen de oude grafvelden van de Garamanten. Hoewel aanzienlijk kleiner doen ze door hun piramidevorm denken aan het oude Egypte. Archeologen hebben geen bewijs dat er intensief contact was tussen de Garamanten en de oude Egyptenaren. Wel zijn er aanwijzingen dat vanaf 3.000 voor Christus veel mensen door de verwoestijning vanuit de huidige Sahara naar de oevers van de Nijl trokken. De piramides in Egypte zouden daarom hun oorsprong kunnen hebben in Libische beschavingen uit het tijdperk voor de Garamanten. Ook de Garamanten zelf zouden volgens die theorie door die nog oudere beschaving geïnspireerd zijn.

De surrealistische landschappen, de ruïnes en de prehistorische afbeeldingen in de Acacus hebben zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een van de belangrijkste toeristische trekpleisters in Libië. „Toerisme is een groeimarkt”, zegt Ali Mohamed van de Libische reisorganisatie Sahara Friends Tours. Massatoerisme bestaat niet, mede doordat Libië van 1992 tot 1999 zuchtte onder een luchtvaartembargo van de Verenigde Naties, wegens de weigering twee verdachten uit te leveren van de aanslag op een Amerikaanse vliegtuig boven het Schotse Lockerbie. Jaarlijks bezoeken slechts enkele tienduizenden westerlingen het land.

Het landschap in de Acacus doet soms denken aan de Grand Canyon in de Verenigde Staten. Een van de indrukwekkendste attracties is een natuurlijke rotsboog, die lokaal bekend staat onder de naam Fozzigiaren. De boog, omgeven door kleine zandduinen, is zeker honderd meter hoog. Waarschijnlijk is de doorgang ontstaan in de periode dat er nog wilde rivieren door de Acacus stroomden. Het beukende water maakte een gat in de rotswand.

In de lucht cirkelen twee kraaien, die af en toe een krijsend geluid maken dat meerdere malen weerkaatst tussen de steile wanden in de kloof. Verder is het muisstil. Sporen in het zand en overblijfselen van een vuur verraden dat hier regelmatig mensen komen. En dan gaat het niet alleen om toeristen. Naar verluidt woont in het Acacus-gebergte nog steeds een tiental nomadenfamilies. Verwoestijning jaagt niet iedereen op de vlucht, sommige mensen houden dapper stand.