Respect, dat wil Iran van de Verenigde Staten

Iraanse leiders zijn, onder de juiste voorwaarden, zoals ze zeggen, bereid met Amerika te praten. Maar ze zien nog geen teken van Amerikaanse bereidheid.

Sinds de islamitische revolutie van 1979 gaat Aqdas Akbari altijd naar het Vrijdaggebed op het terrein van de Universiteit van Teheran. En altijd scandeert ze aan het slot mee met de massa gelovigen: „Dood aan Amerika!” Ook op deze mooie februaridag. Akbari (65, huisvrouw, van top tot teen gehuld in een alles verhullende zwarte chador): „Want Amerika is de vijand van Iran en de vijand van de islam.”

De islamitische revolutie ging voor een belangrijk deel om de onafhankelijkheid van Iran van buitenlandse overheersing. Van alle buitenlandse overheersing, maar met name van de dominantie van Amerika waarmee de banden onder de sjah nauw waren aangehaald. „Wij geven niet toe aan het dictaat van enige regering, zelfs niet de Amerikaanse”, is een van de anti-Amerikaanse uitspraken van revolutieleider ayatollah Khomeiny die op de muren van de toenmalige Amerikaanse ambassade, nu bekend als ‘spionnennest’, staan geschilderd.

Uitgerekend de meest revolutionaire regering sinds de vroege jaren van de islamitische republiek is officieel bereid een alomvattende dialoog aan te gaan met wat tot voor kort de ‘Grote Satan’ was. Ook eerdere regeringen, zoals die van de pragmatische president Rafsanjani en zijn hervormingsgezinde opvolger Khatami voelden voor toenadering, maar initiatieven werden – aan beide zijden – in de kiem gesmoord.

Maar de tijden zijn veranderd. Na de – Amerikaanse – eliminatie van Teherans vijanden in Afghanistan en Irak voelt Iran zich sterker. Tegelijk ziet het Amerika’s positie als verzwakt, met name door de verslechterende veiligheidssituatie in Afghanistan, de destabilisering van Pakistan en de economische crisis in de VS zelf. „De VS hebben Iran meer nodig dan Iran de VS”, zegt professor Seyed Mohammad Marandi, hoofd Noord-Amerikaanse studies aan de Universiteit van Teheran.

De ultraconservatieve president Mahmoud Ahmadinejad stuurde in november een felicitatiebrief naar Barack Obama na diens verkiezing als opvolger van president Bush. Aan Iraanse kant was dat „een echte verandering”, onderstreept onderminister van Buitenlandse Zaken voor Europese Zaken, Mehdi Safari.

Iran zegt te reageren op het „programma van werkelijke verandering” waarop Obama de verkiezingen won. „Als Obama inderdaad een fundamentele verandering doorvoert, dan kunnen we gaan praten”, zegt Mojtaba Samareh Hashemi, die geldt als een van de invloedrijkste adviseurs van Ahmadinejad.

„De situatie is potentieel gunstig”, meent professor Marandi. „Als zij kunnen veranderen, kunnen wij veranderen.” Maar het is de vraag of er daadwerkelijk een gesprek, laat staan normalisering, tot stand komt.

Wat is de ‘fundamentele verandering’ in de Amerikaanse politiek die een gesprek mogelijk moet maken? Iraanse leiders beginnen desgevraagd over de „onaanvaardbare interventionistische” Amerikaanse houding van de afgelopen halve eeuw. Ze wijzen op de door de CIA gesteunde staatsgreep in 1953 tegen premier Mossadeq, ook een fel tegenstander van westerse inmenging in Iraanse aangelegenheden die de door Groot-Brittannië gecontroleerde olie-industrie had genationaliseerd. Op de Amerikaanse steun voor de sjah en, later, voor Saddam Hussein in diens oorlog tegen Iran (1980-1988). Ze noemen de gewapende interventies in de buurlanden Afghanistan (2001) en Irak (2003) – ook al hebben ze daar zelf van geprofiteerd – en de druk op Teheran, in de vorm van Amerikaanse en internationale sancties, om zijn uraniumverrijkingsprogramma te bevriezen.

„In het tijdperk-Bush”, vat adviseur Samareh de Iraanse visie op Amerika samen, „werden de rechten van de landen in de wereld niet gerespecteerd”.

Iran, zeggen zijn leiders, wil alleen praten op basis van gelijkwaardigheid en wederzijds respect. „Als ze zeggen dat het moet gebeuren op voorwaarde dat we dit of dat doen, dan gebeurt het niet”, zegt onderminister Safari.

Als de oude voorwaarde van tafel gaat dat Iran eerst de verrijking van uranium bevriest, „is dat al een hele stap voorwaarts”, vertaalt een hoge Iraanse regeringsfunctionaris. Hij somt andere mogelijke concrete Amerikaanse gebaren van goede wil op: terugkeer van het Iraanse nucleaire dossier van de VN-Veiligheidsraad naar het Internationaal Atoomenergie Agentschap, teruggave van de Iraanse miljardentegoeden in de Verenigde Staten die na de val van de sjah werden bevroren en stopzetting van het programma om het Iraanse bewind te ondermijnen.

„Het is niet zo dat de Verenigde Staten voor alles zullen moeten betalen”, legt professor Marandi uit. „Maar ze moeten ten minste erkennen dat de Amerikaanse politiek het land heeft geschaad. En ze moeten de demonisering van Iran staken. Dat we een afgrijselijk gevaarlijk, verschrikkelijk bewind hebben. Het is hier geen paradijs, maar ook niet het tegenovergestelde, zoals in Saoedi-Arabië.”

Maar anderhalve maand na het aantreden van president Obama ziet Iran nog geen enkel teken van verandering in Washington. „Ze hebben nog niet eens gezegd dat ze bereid zijn om een dialoog te houden in het teken van wederzijds respect”, zegt adviseur Samareh. De benoeming van Dennis Ross, die goede banden met Israël onderhoudt, als speciaal adviseur voor de Golf, wordt door het anti-Israëlische bewind in Teheran eerder als een negatief signaal gezien. De Iraanse staatsradio beoordeelde Ross’ benoeming als „in kennelijke tegenspraak met Obama’s verklaarde politiek om verandering te brengen in de Amerikaanse buitenlandse politiek”. Volgens professor Marandi is „het enige dat er nog een beetje positief uitziet” dat Obama heeft gezegd dat het formuleren van een nieuwe politiek een tijdje kan duren. „Maar de retoriek is niet positief.”

De gelovigen van het Vrijdaggebed op het terrein van de Universiteit van Teheran is de strijd tegen Amerika jaar in jaar uit ingepeperd. Hebben zij geen moeite met een mogelijke dialoog met de vijand? Even voordat ze weer het „Dood aan Amerika!” aanheft zegt Aqdas Akbari dat het wat haar betreft in orde is om te gaan praten, mits dat in het belang van Iran is. „Niemand is voor altijd een vijand.” Ozra Sedrpour, een huisvrouw van middelbare leeftijd, legt uit: „Wij zeggen wat de leiders zeggen. Als zij zeggen dat Amerika een bullebak is, dan is dat zo. Maar als zij tot de slotsom komen dat we over gelijkwaardige relaties kunnen praten, dan is dat ook goed.”