Column

Over lijken

Ik zat in Parijs toen het Turkse toestel bij Hoofddorp neerstortte, maar ik had het nieuws eerder dan de verkeerstoren van Schiphol. Een vriend zag het vallen en belde mij onmiddellijk. Twee minuten later zag ik op het schermpje van mijn ultramoderne telefoon hoe de slachtoffers uit het wrak kropen. Vliegramp 2009. Al gauw gingen de beelden van het gebroken vliegtuig me vervelen en stelde ik mijn vriend voor om met zijn telefoon even naar binnen te gaan.

Ik was benieuwd. Hoe zaten de lijken erbij? Hoe erg was het met de gewonden? Lagen er her en der losse ledematen? Waren het mooie stewardessen? Op een verklaring van de piloot rekende ik niet omdat ik zelfs bij mij op het terras van Les Deux Magots overduidelijk kon zien dat het arme cabinepersoneel deze landing niet overleefd had.

Ondertussen belde mijn vriend Frits uit San Francisco of ik wist dat er een vliegtuig was neergestort. Ik lachte hem vierkant uit en liet hem stoer weten dat ik het toestel net niet had zien vallen, maar dat dat niet veel gescheeld had. Al snel hadden we ruzie. Hij wist namelijk zeker dat hij eerder van het ongeluk wist dan ik. Via Twitter. Daarbij had hij inmiddels beelden van de toestand binnenin het vliegtuig en die had ik weer niet. Dus eigenlijk was hij verder. Ik vroeg hem hoe hij daar aan kwam? Zijn nichtje zat bekneld naast een overleden man en met die meneer zijn iPhone had ze wat beelden naar hem gestuurd.

Ook zij dacht dat er weinig leven in de cockpit zat. Hij zou die beelden vanuit de VS naar mij sturen. Ik stelde hem voor dat hij aan zijn nichtje moest vragen om opnamen van haar buurman te maken en die naar de man zijn huis te sturen. Ik vond dit zelf erg grappig, maar was duidelijk de enige. Mijn vriend vond het smakeloos. Net als mijn secretaresse, die naast mij op het terras haar broer in Eindhoven aan de lijn had. Hij zag op dat moment dat op de Nederlandse televisie de eerste tevergeefs wachtende familieleden al ondervraagd werden.

Die radeloze mensen vertelden stuk voor stuk dat ze ten einde raad waren omdat ze officieel nog niks wisten en dat ze uiteraard vurig hoopten dat hun geliefden het overleefd hadden. Jammer, dacht ik, omdat dat soort beelden mij altijd veel te cliché zijn. Ik wacht al jaren op het moment dat een in de aankomsthal wachtende mevrouw heel nuchter vertelt dat ze hoopt dat haar man het niet overleefd heeft omdat haar huwelijk met hem toch al jaren een hel is. Of dat ze een koel betoog houdt over de vrouw met wie haar echtgenoot op reis is. Zogenaamd zijn secretaresse, maar ondertussen! Lijkt me prachtig als ze vertelt dat ze hoopt dat dat dertig jaar jongere tyfuswijf haar beide benen moet missen zodat haar man haar de rest van zijn leven mag duwen! Maar dat soort beelden zien we nooit.

Onderhand keek ik op mijn telefoon naar het gevallen vliegtuig en vroeg me geïrriteerd af waarom we zo lang op onze koffie moesten wachten. Ze konden het hier beter Les deux Escargots noemen. Een andere vriend belde met de eerste vliegtuigrampgrap. Niet slecht voor een ongeluk dat een uur oud is. De mop ging over een Nederlandse taalcursus voor Turkse piloten. Ik land, jij landt, hij landt, wij land! Hij vroeg of ik hem snapte en herhaalde wij land wel drie keer. Ik deed of ik hem niet begreep, omdat het vliegtuig duidelijk op een landbouwakker lag en niet in een weiland. Ik stelde hem voor om iets te doen met dooie akkertje. Daarna belde ik met mijn bank hoe het mijn aandelen ING ging.

„Als een Turkse Boeing”, grapte mijn persoonlijke aandelenconsulent en vroeg of ik het mopje kon gebruiken. „Ja”, antwoordde ik, „want Boeing eindigt op ING!”

Daarna belde mijn zoon met goed nieuws. Heel goed nieuws zelfs. Geen Nederlanders onder de doden.

Youp van ‘t Hek