Oncollegiale strijd tussen musea is gênant en dubieus

In NRC Handelsblad van 21 februari wordt de treurige gang van zaken uit de doeken gedaan over een zeldzaam zestiende-eeuws Utrechts altaarstuk dat Nederland verlaten heeft. Sinds 1948 was het drieluik in bruikleen in het Centraal Museum te Utrecht en recentelijk werd het door de Restitutiecommissie toegewezen aan de erfgenamen-Goudstikker.

De heren Van Os en Defoer, oud-directeuren van respectievelijk het Rijksmuseum te Amsterdam en Museum Catharijneconvent te Utrecht, startten ”een stille campagne” om het schilderij te verwerven voor het Museum Catharijneconvent en niet, zoals men zou verwachten, voor het Centraal Museum.

De oncollegiale strijd tussen twee musea in één en dezelfde stad is gênant en dubieus. Even bedenkelijk is Van Os` handelwijze om het drieluik naar Huis Ten Bergh te `s-Heerenbergh te doen overbrengen om van daaruit een campagne op te zetten teneinde geldschieters voor aankoop te interesseren. Die werving had vanuit Utrecht moeten gebeuren en niet vanuit een uithoek in Nederland.

Zodra duidelijk werd dat het schilderij opgeëist zou worden, had het Centraal Museum alles in het werk moeten stellen om het voor zijn collectie te behouden. Sinds ruim tien jaar ligt de prioriteit van het Centraal Museum echter bij moderne en hedendaagse kunst en bij design. Het verlies van een zestiende-eeuws topstuk is dan ook niet verwonderlijk.

De opvattingen van Van Os ”dat er buiten Nederland weinig belangstelling voor het drieluik is” en van Defoer ”dat het altaarstuk in het buitenland geen enkele functie heeft” zijn prietpraat. Zowel in Europa als in Amerika bezitten musea en particulieren talloze oude Nederlandse schilderijen die geen plaatsgebonden functie hebben, maar daar wel hangen om hun kunsthistorische en esthetische betekenis.