'Nooit achterom kijken, gewoon doorgaan'

Han Frenken is immer op weg naar het goede in het leven. Hardlopend, in marathons en ultramarathons. Hij liep er 213. „Ik wil vooruit.”

Gek? Zijn lach buldert door het kantoortje van zijn taxibedrijf dat vol hangt met medailles, foto’s en oorkondes van de 213 marathons en ultramarathons die hij in zijn leven heeft volbracht. „Extreem, gewoon extreem”, verduidelijkt Han Frenken, 46 jaar, immer goedlachs, immer beweeglijk, immer op weg naar het goede in het leven.

Het is me wat, zoveel marathons van 42 kilometer en 195 meter en ultramarathons van honderd kilometer of meer. Hij liep ze overal, bij min veertig in Alaska, bij plus veertig in Mali, op drieduizend tot vierduizend meter hoogte in de Himalaya’s, op vierhonderd meter beneden de zeespiegel in Jordanië, in een vrieshal, in een zoutmijn, in een gevangenis, op een duwboot, in de Limburgse grotten, tussen de piramiden van Egypte, op een wielerbaan, op een bobsleebaan, in een tunnel, in een parkeergarage, in een kantorencomplex en achter een babyjogger. O ja, hij liep in 2002 zeventien marathons in een maand, slechtste tijd 5 uur, 10 minuten en 1 seconden (de eerste), beste tijd 3 uur, 37 minuten en 54 seconden, de laatste liep hij in 3 uur, 49 minuten en 11 seconden. Allerminst wandelingen.

Toch gek dus? „Nee, echt niet, gewoon een uitdaging, gewoon over de grenzen, letterlijk en figuurlijk. Gewoon op zoek naar avonturen”, riposteert hij lachend tussen een paar telefoontjes van mensen door die hem om taxivervoer vragen. „Ik heb vaak mensen in de auto die zeggen dat ze zó moe zijn. Ach jongen, wat zijn ze moe. Dan denk ik – ik zeg het maar niet: ‘Moe? Weet je wat moe is?’ Ach, dat gezeur van mensen. Al dat depressieve gedoe. Ze doen gewoon niks, ze zitten maar, werken en denken maar. Moe zijn zit in je hoofd. Wie niet aan moe zijn denkt, wordt niet gauw moe.”

Frenken moet toegeven dat hij eens te ver en te diep is gegaan. Twee jaar geleden gaven lichaam en geest het op. De combinatie van veel werken, veel lopen, veel spanning, haast, weinig slaap en slechte voeding – even een kroketje, even een hamburger of een Mars en verder niks – veroorzaakte een perforatie van zijn dikke darm en een ontsteking in de endeldarm. „De artsen wisten het niet meer. Han, het is voorbij. Of een stoma, of stoppen met je leven. Hoezo? Ik had me net ingeschreven voor een junglemarathon in Thailand. Ik had geen keus. Opereren of een medicijnenkuur. Ik ben niet geopereerd, ik ben als door een wonder genezen. Ik kan namelijk vechten, ik zie het positieve in van het leven. Kort daarop, in februari 2008, liep ik al weer een marathon op een duwboot, 206 rondjes, samen met Lambert Schuurs, oud-handbalinternational, ook een extreme, nooit ophouden.”

Frenken doet het sindsdien rustiger aan. Het werk als baas van een taxibedrijf heeft hij beperkt, minder stress. En hij loopt nog maar drie keer in de week, in anderhalf uur ruim twintig kilometer. En geen interval-training meer. Maar – zijn vrouw mag het nog niet weten – dit jaar staat wel een marathon op de Chinese Muur op het programma. Niet die marathon die maar een paar kilometer over de muur gaat, maar de échte, helemaal over de muur.

Als het lichaam het toelaat. Want Frenken bekent dat die ene achillespees vaak opspeelt, en dat die shin-splints (chronische irritaties aan het scheenbeen) lastig zijn. En dan die kuitblessure aan zijn linker been en die bobbel op zijn rechter hak. „Komt van het autorijden, dat is alles. Had mijn vader ook als taxichauffeur. Ik houd er wel rekening mee, maar moet ik dan gaan zitten sukkelen? Ik wil vooruit, leven en lopen.”

Niet gek dus? „Nee, dus. Er zijn zoveel mensen die marathons lopen en ook steeds meer die ultramarathons lopen. Vraag het al die mannen en vrouwen. Lees hun ervaringen op hun weblogs en hun boekjes. Het worden er steeds meer. Ze genieten van hun talent, van waar ze allemaal toe in staat zijn. Je kent het verhaal van psychologen die veronderstellen dat mensen in oorlogsgebieden fysiek en psychisch tot meer in staat zijn dan ze hadden kunnen vermoeden. Ook zestig- en zeventigjarigen kunnen meer dan ze denken, meer ook meer dan de omgeving denkt dat ze kunnen. Mensen worden steeds luier, ze gaan meer denken. Ze denken steeds meer dat ze iets niet kunnen. Het leven is geen uitdaging meer. Ze groeien op in luxe, en zodra er geen luxe meer is, geven ze het op.”

Frenken moet lachen om wat hij zegt. Hij hoeft zichzelf toch niet te verantwoorden? Nee, dat hoeft hij niet. Het zijn maar vragen: waarom altijd hardlopen en waarom niet gewoon in rust leven, harmonie is toch veel aantrekkelijker?

Op de computermonitoren in zijn kantoortje wisselen de beelden van Frenken in al die barre marathons elkaar af. De foto’s, de medailles en oorkondes zijn stille getuigen van grote fysieke prestaties. Er is een kast vol ordners met uitslagen en records. Ja, want Frenken komt ook voor in het Guiness Book of Records: 17 marathons in een maand, en een marathon achter een babyjogger, waarin zijn destijds zevenjarige zoon Crifven de ruim 42 kilometer lange loop – jengelend, spelend met zijn gameboy en soms slapend – kan uitzitten door de belofte dat hij na de finish wordt getrakteerd op een etentje bij McDonald’s.

Wanneer Han Frenken onophoudelijk praat over de zin van zijn leven, bekruipt de toehoorder langzaam maar zeker het gevoel dat lang hardlopen dé remedie is om de ellende in de wereld te verdringen en te vergeten. „Als ik ’s morgens opsta, zeg maar tegen een uur of vijf, zes, en ik ga lopen – pas op, niet wandelen want dat is vervelend – dan gaat er een wereld voor mij open. Dan kan ik er de hele dag weer tegenaan. Ik loop langs de Maas, de dauw, de zuurstof, de natuur die begint te leven, de stilte, alleen zijn, die eentonige tred van mijn stappen. Alleen mezelf. Ik denk en bedenk. Ik zie dingen die ik anders nooit zou zien, omdat mijn hoofd dan vol zit met verplichtingen en spanning. Ik ga denken, ik bedenk nieuwe dingen. Dingen waar ik nooit aan zou denken als ik maar door zou gaan met werken, met zaken, met ellende en de angst moe te worden. Angst, dat je het niet meer aankan, gaat met het lopen voorbij.”

Hardlopers, marathonlopers en vooral ultralopers raken in trance. Het begrip runnershigh herkent Frenken. „Meestal loop ik als training hier in Stein langs de Maas. In één tempo, mediterend zou je het kunnen noemen. Ik zie water, boten op het water, hoor mijn adem, ik voel mijn spieren en gewrichten, ik loop, ik ben. Maar waar ik ben, doet er niet toe. Vaak weet ik niet eens waar ik geweest ben. Ja, dat is wel eens zonde als je aan de andere kant van de wereld bent en je weet en ziet niet waar je loopt. Je ziet niet eens de bergen of de piramides. Heb je het daar nou voor gedaan?”

Hardlopen is positief denken. Niet achterom kijken, net als in het leven. Contemplatief hollen. „Zodra je achterom kijkt, bijvoorbeeld omdat je dreigt ingehaald te worden door een tegenstander of de tijd, verkramp je. O, ik word ingehaald, ik ga verliezen, ik word langzamer, ik word minder. Nooit achterom kijken. Je gaat door, gewoon doorgaan, je voelt wat jij voelt. Wat anderen voelen, is niet van jou. Dat is mijn levensinstelling. Zo zou het moeten. Maar ik geloof er wel in. Ik wil vooruit.”

Lees zijn boeken: Marathonvariaties en zijn nieuwe Ultramarathon, de uitdaging van de 21ste eeuw, samen met ultraloper Ton Smeets – hij liep de Spartathlon, 246 kilometer. Verhalen, feiten en biografieën. Over mannen en vrouwen die duizend of meer marathons en ultramarathons hebben gelopen. De wereld van hardlopers is groter dan de wereld van voetballers, schaatsers en wielrenners. En toch zo weinig aandacht .„Het zijn vooral bescheiden mensen”, zegt Frenken. „Het worden er steeds meer. Sla Ultraned, Ultraplatform, de Hardloopkrant en al die websites er maar op na. Er zijn er zoveel, in Duitsland en Amerika zelfs duizenden. Natuurlijk willen ze aandacht van de media, maar daar gaat het hun niet om. Ze lopen vooral voor zichzelf en voor de mensen die ook lopen. Ze vullen hun leven in met iets waar ze van houden. Waarom is altijd hardlopen gek en altijd nadenken niet?”

Hij verwijst naar een onderzoekje dat in het boek, dat komende zondag na de Zes Uren van Stein (recordafstand is 92 kilometer) wordt gepresenteerd, wordt vermeld. Ambtenaren, leraren, mensen die met hun hoofd bezig zijn, mensen die zelden bewegen en dagelijks op kantoor of school zitten, blijken zich veruit het meest tot ultralange afstandslopen aangetrokken te voelen.

Worden we we dan steeds gekker, lange afstanden hardlopen om de tijd te doden, dan wel om voorbereid te zijn om de spanning aan te kunnen die ons onvermijdelijk op werk en privé te wachten staat? Han Frenken, een van die talrijke mannen en vrouwen die zich aangetrokken voelen tot een urenlange afzijdigheid van de samenleving, kan weinig met de kwalificatie ‘gek’. „Je kunt je afvragen waarom zoveel mensen het gaan doen, urenlang hardlopen. Waarom zou je? Ik vind het heerlijk, zoveel mensen vinden het heerlijk. Ik kom op gedachten die ik nooit eerder heb gehad. Ik verzin dingen die ik nooit zou hebben verzonnen als ik alleen maar in die taxi zou hebben gezeten, met die mensen die haast hebben, zeuren en bang zijn om te leven.”

Morgen, als de Zes Uren van Stein wordt gelopen, staat Han Frenken langs de kant. Hij zou wel willen meelopen. Maar dat komt nu even niet uit. Hij is organisator. Hij voelt zich verantwoordelijk voor de mannen en vrouwen die vanuit heel Europa naar Limburg komen. Hij zal ervan genieten. „Waar ik heb gelopen, altijd genieten, in de kou en de hitte, op de hoogste bergen, soms met een rugzak, biddend om water, en altijd denken dat het goed komt. En dan kwam het, dan stond er vijf kilometer verder een man met cola. Positief denken. Ik heb alle marathons gelopen op cola en peperkoek. Elke vijf kilometer een halve liter cola en een schijf koek. In die 17 marathons in één maand dronk ik veertig liter cola. Niets is opwekkender.”

Taxichauffeur Frenken neemt een telefoontje op. Vervoer gevraagd. Carnaval in Limburg is in volle gang. Wie is er gek? „ Zij vieren feest, ik doe aan hardlopen.”