Nederland is nu nog een kennisland. Maar dat duurt niet lang meer.

Met geen extra investeringen in onderwijs en onderzoek zakt Nederland langzaam weg bij internationale vergelijkingen in prestaties op het gebied van kennis en technologie. Robbert Dijkgraaf, Gerdien de Jong en Herman Philipse over het afglijden van ambities.

Universiteitshoogleraar mathematische fysica aan de Universiteit van Amsterdam, president van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Lid van het Innovatieplatform (voorzitter premier Balkenende).

Nu de economische onweerswolken zich samenpakken en het zicht op de toekomst ontnemen, is een langetermijnvisie cruciaal: een vast punt aan de horizon om op aan te sturen. Bij voorkeur volgens een koers waarover iedereen het al eens was vóórdat de storm opstak. Gelukkig heeft Nederland precies zo’n vaarplan: de Kennisinvesteringsagenda (KIA). De agenda schetst helder waar Nederland in het jaar 2016 zou moeten staan: een hoogopgeleide beroepsbevolking en een krachtige kennisbasis; een sterk innovatief vermogen en dito ondernemerschap. De agenda is in 2006 opgesteld door alle belangrijke partners in de kenniseconomie: van de werknemersorganisaties tot de basisscholen, van het midden- en kleinbedrijf tot universiteiten en hogescholen. Juist in onzekere tijden kan de KIA ons houvast bieden. Liggen we op koers en maken we voldoende tempo?

Gisteren presenteerde het Innovatieplatform de stand van zaken, de momentopname die we de ‘KIA-foto’ noemen. Hoewel er ook lichtpuntjes te zien zijn, is het totaalbeeld beslist niet geruststellend. We moeten zonder meer versnellen om onze ambities te halen.

Traditioneel staat Nederland in de top-5 van de meest concurrerende kenniseconomieën ter wereld. Deze koppositie zijn we de afgelopen jaren kwijtgeraakt. Van leider zijn we volger geworden. Zelfs in Europa behoren we niet langer tot de kopgroep. Het zijn vooral Scandinavische landen die ons de loef afsteken.

Laten we eerst onze zegeningen tellen. Nederland heeft in veel opzichten een jaloersmakende uitgangspositie: een strategische ligging, een hoogopgeleide bevolking, een cultuur van gedurfd ondernemen, een open en flexibele samenleving en, niet te vergeten, een traditioneel sterke positie in onderzoek en technologie. In de wetenschap is de positie in de kopgroep nog wel vastgehouden. Nederlandse wetenschappers spelen meerdere competities hoger dan op grond van de statistieken verwacht mag worden. Ze zijn derde in de wereld wat betreft de impact van hun publicaties, en die kwaliteit groeit nog steeds. Onze onderzoekers werken hard: wat het aantal publicaties per onderzoeker betreft is Nederland nummer twee in de wereld. Iedereen die over ‘dor hout’ spreekt op de universiteiten, leeft niet in deze tijd. Onze jonge wetenschappers hebben door zoveel hoepels en over zoveel latten leren springen dat ze in Europese competities in alle categorieën de hoofdprijzen wegslepen. Kortom: het Nederlandse onderzoek is lean and mean.

Nederland heeft ook nog steeds een aantal grote Research and Development (R&D)-bedrijven van wereldfaam, een innovatief MKB, en ingenieurs en ontwerpers die internationale topprestaties leveren. Onze technologische uitgangspositie wordt door het World Economic Forum zelfs als de beste ter wereld beoordeeld. De diverse partijen in de kenniseconomie weten elkaar bovendien steeds beter te vinden. Wij zijn bijzonder creatief in het bedenken van nieuwe vormen van publiek-private samenwerking. In regio’s als Eindhoven en Wageningen hebben bedrijven en universiteiten in de geest van open innovatie internationaal aantrekkelijke campussen gecreëerd met een duidelijke focus.

Laten we niet vergeten dat al dat mooie onderzoek ook nog ergens goed voor is. Wetenschappelijke excellentie kan ook economisch rendement en oplossingen voor maatschappelijke uitdagingen brengen, of het nu duurzame energie of een gezond en lang leven is. Zo scoort kennis driedubbele letterwaarde op het politieke scrabblebord.

Toch zijn er grote zorgen. De Nederlandse wetenschap heeft nog maar weinig vlees op de botten. Het aantal onderzoekers in Nederland is bedroevend laag, ver onder het OECD-gemiddelde. Zeker in de bètatechnische richtingen en al helemaal wat het aandeel vrouwen betreft – hinkelend op één been dragen we hier in Europa de rode lantaarn. De koplopers hebben tweemaal zoveel onderzoekers; Finland zelfs drie keer zoveel. In Zweden is het aantal gepromoveerden gauw een factor 6 hoger dan in ons land.

In dat licht is het extra verontrustend dat de investeringen in onderzoek en ontwikkeling achterblijven. Onze sterke uitgangspositie is grotendeels te danken aan de investeringen uit het verleden. Als enige in Europa heeft Nederland de afgelopen tien jaar geen enkele groei gekend in de R&D-uitgaven. Met 0 procent staan we helemaal onderaan de statistieken. Ondanks de extra investeringen die sinds de ondertekening van de KIA zijn gedaan, zijn de Lissabon-doelstellingen verder weg dan ooit. De publieke uitgaven dalen van 0,73 procent naar 0,67 procent van het bbp – dat zou volgens het Lissabon-akkoord 1procent moeten worden. De private bijdragen blijven in essentie gelijk: op 1,03 procent bbp, ongeveer de helft van het gestelde doel van 2 procent.

De inspanningen van bedrijven zijn dus al relatief laag en zullen door de crisis verder onder druk komen te staan. Er mag zelfs een sterk beroep op de overheid worden verwacht om het industriële onderzoek in deze moeilijke fase overeind te houden. Alleen een cynische rekenaar zou kunnen zeggen dat de crisis onze score juist verbetert. Niet omdat de investeringen toenemen, maar omdat het bbp zal dalen.

Een effectieve manier om op de korte termijn private onderzoeksgelden te verhogen is buitenlandse bedrijven te verlokken hun R&D-activiteiten naar Nederland te gaan verplaatsen. Maar dat gebeurt alleen als hier een aantrekkelijk vestigingsklimaat is met een voldoende aanbod van hoogopgeleide kenniswerkers en een actief stimuleringsbeleid voor industriële sleutelgebieden en innovatieregio’s.

Ook in het onderwijsdomein is er reden voor zorg. Weliswaar is er in de volle breedte weer aandacht voor de ontwikkeling van talent, van voorschoolse educatie tot een leven lang leren, maar Nederland is afgezakt tot de subtop waar het gaat om onderwijsprestaties. Hoewel de absolute scores van onze leerlingen constant blijven of licht dalen, is er een neerwaartse trend doordat andere landen versnellen. Een gericht investeringsprogramma in het onderwijs, met bijzondere aandacht voor om- en bijscholing voor werknemers in bedreigde economische sectoren, is absoluut noodzakelijk. Ook in het kader van de verdere professionalisering van leraren liggen er nu mooie kansen. Hoopgevend en inspirerend zijn de activiteiten om de bètavakken te stimuleren. Zij lijken de eerste vruchten af te werpen.

Zoals de KIA-foto laat zien, dwingt de crisis ons – misschien eerder en duidelijker dan verwacht – om kleur te bekennen. We zien een scheiding der geesten ontstaan in de wereld. Is Nederland niet alleen in woord maar ook in daad een kenniseconomie? Kiezen we voor hoge ambities en sluiten we aan bij de wereldkopgroep of schikken we ons in onze rol als subtopper? Concurrerende landen, zoals de Verenigde Staten, Duitsland, Finland, Zweden en Canada, investeren in deze crisistijden fors extra in onderwijs, onderzoek en innovatie. Zo verhoogt president Obama het wetenschapsbudget met 50 procent, een bedrag dat omgerekend naar de Nederlandse schaal een kleine miljard euro extra zou betekenen. Het totale Amerikaanse stimuleringsplan zou zelfs neerkomen op een investering van 30 miljard euro.

Banken kunnen zomaar op een dag dreigen om te vallen; scholen, laboratoria en universiteiten brokkelen af. Niet alleen moet deze erosie gestopt worden, de opbouw moet worden versneld. Experts rekenen voor dat investeren in kennis een verstandige belegging is, dat 1 euro geïnvesteerd in onderzoek zo’n 4 tot 7 euro economisch voordeel oplevert. Maar we moeten ons in alle eerlijkheid afvragen of het procrustesbed van de financiële modellen de enige maat der dingen moet zijn. Er is eigenlijk maar één relevant gegeven: culturen, landen en bedrijven die niet in kennis investeren houden op te bestaan. Vaak sneller dan gedacht.

De boodschap aan het kabinet kan dan ook simpel zijn: doe wat u van plan was te doen – de Kennisinvesteringsagenda uitvoeren – maar doe het sneller en krachtiger.

Moet Nederland meer investeren in kennis? Discussieer mee op nrc.nl/discussie. Robbert Dijkgraaf zal aanstaande vrijdag reageren.