Mooi monument voor de achterstandsbuurt

Tentoonstelling: Cyprien Gaillard, ‘Beton Belvedere’. T/m 5 april in Stroom, Hogewal 1-9, Den Haag. Wo-zo 12-17u. Bunkerproject ‘Dunepark’ t/m 29 maart hoek Nieboerweg-Houtrustweg, Scheveningen. Inl: www.stroom.nl

****

Misdadig en mensonvriendelijk – de ooit zo bewonderde flatgebouwen van het modernisme zijn de laatste jaren in kwaad daglicht komen te staan. Vorige eeuw werden de idealen van modernisten als Le Corbusier door iedereen omarmd: een eenvoudige, eerlijke architectuur zou het volk gelukkig maken. Door de hoogte in te bouwen bleef plek over voor grasvelden, waar families ’s zomers konden picknicken. Na de oorlog verrezen zulke woonwijken in heel Europa – de Parijse banlieues, de Amsterdamse Bijlmer. De afloop is bekend. De symbolen van wederopbouwoptimisme werden synoniem met criminaliteit en verpaupering.

Iemand die het voor Le Corbusier opneemt, zij het op een andere manier dan de architect zelf zou kiezen, is zijn landgenoot Cyprien Gaillard. Deze jonge Franse kunstenaar (1980) ziet in de naoorlogse betonbouw geen opgeruimde ideaalwereld voor gelukkige gezinnen, maar juist een dramatische schoonheid. Roze brillen zijn voor tuttebellen, door een zwarte bril zie je een veel spannender esthetiek.

Gaillard verbeeldt dat idee door in zeventiende-eeuwse landschapsprentjes Bijlmerachtige flats te plakken. Kronkelende voetpaden slingeren de verte in, beekjes kabbelen langs perspectivische zichtlijnen, en daartussen verrijzen betonkolossen als scifi-vestingwerken. In de achttiende eeuw bedachten Engelse Romantici een naam voor deze schoonheid: the Sublime. Het stond voor al wat zo mooi is dat het de mens doet sidderen.

Vorig weekend opende Gaillards eerste Nederlandse solo-expositie Beton Belvedere in het Haagse kunstcentrum Stroom. Een prachtige tentoonstelling waarin de Fransman zijn fascinerende blik op de wereld overtuigend vormgeeft. De reeks boeken in de etalage van de Stroombibliotheek vat Gaillards fascinaties samen: bunkers, macht, sciencefiction, Romantische esthetica. Achttiende-eeuwse architecten als Etienne-Louis Boullee en Claude-Nicolas Ledoux ontwierpen ten tijde van de Romantiek huiveringwekkend hoge koepels en piramides, meestal te megalomaan om uit te voeren. Ze inspireerden niet alleen Le Corbusier maar ook nazi-architect Speer, misschien dat ze daarom tegenwoordig wat minder beroemd zijn.

Gaillards cut-n-paste prentjes steken lommerrijk af naast een muur met polaroids van verpauperde buitenplekken. Hiervoor kiekte hij beton met graffiti, afbrokkelende toeristenoorden, met terugkerende afrasteringen van metaaldraad – het design van de angst. Tussen de kleine werkjes hangt een enorme nachtfoto van een leegstaande flat met grafzerken ertegenover. Deze moet gephotoshopt zijn, denk je, zo’n horrorplek kan niet echt zijn. Toch bestaat het, in Glasgow. Gaillard heeft alleen het licht gemanipuleerd. Overdag zou dit een Vogelaarwijk met stip zijn. Maar ‘s nachts, met een dramatische belichting, wordt het de liefdesbaby van Le Corbusier en Ledoux.

Gaillards werk bevat de klassieke sublieme schoonheden – vuur, ruïnes, de nacht, de dood. Om zijn inspiratiebronnen te laten zien, exposeert hij ook acht prenten van Piranesi, een achttiende-eeuwse architect die nooit heeft gebouwd, maar des te meer getekend. Zijn Vedute di Roma in Stroom tonen Romeinse overblijfselen zoals het Forum Romanum, overwoekerd door planten, bezaaid met brokstukken van zuilen.

Maar in tegenstelling tot Boullee of Piranesi wil Gaillard het niet alleen bij plaatjes houden. Hij wil echte aanbevelingen doen voor het opnieuw bekijken van de twintigste-eeuwse betonbouw die we nu in rap tempo slopen en vergeten. Een van zijn foto’s in Stroom laat een paleisje zien met een grindpad – niets bijzonders. Tot je op het bijschrift leest dat het grind een vermalen torenflat uit een Parijse buitenwijk is – een mooi monument voor de achterstandsbuurt.

Voor zijn uitnodiging in Den Haag wilde Gaillard ook een statement maken in de openbare ruimte. Vanuit zijn fascinatie voor Sublime nam hij contact op met bunkerkenners in Nederland, en stootte op een verborgen bunker in Duindorp, door de Duitsers gebouwd als onderdeel van de Atlantikwall. De bezetter evacueerde de bewoners van de hechte vissersgemeenschap zodat de bunker over het spookdorp richting zee uitkeek. Na de oorlog is de bunker bedekt met zand en vanzelf ging er van alles op groeien – gewoon een van de vele duinen in Duindorp.

Gaillard wist het meteen: die bunker moest worden uitgegraven. Het nieuws over zijn Dunepark raakte bekend en bunkerkenners uit heel Nederland liepen uit. De vergunning was kantje boord, maar werd toegekend omdat het project maar een maand duurt. Daarna wordt het zand teruggestort. Zaterdag opende het bunkerproject – en was het er feest. Mensen liepen door Duindorp met glaasjes champagne, kinderen sprongen op en van de bunker, honden ravotten in het zand. Als sociaal bindmiddel was het kunstproject een succes.

Maar vooral bleek toen hoe doodgewoon een bunker kan zijn. Het is een blok, in het zand. Als het er zaterdag niet zo bomvol met mensen was geweest, was je er zo aan voorbijgelopen. Dunepark is een concept, en bij conceptuele kunst, zoals bekend, ligt de kracht in het idee. Boullee wist dat het beter was dat zijn architectuurontwerpen bij schetsen bleven, die hij aandikte met nietige mensjes en donkere luchten. Op vergelijkbare wijze stralen de flats op Gaillards etsjes een pracht uit die ze in de banlieues missen. Dramatische schoonheid is in onze wereld voorbehouden aan de kunst.

Dunepark heeft alle ingrediënten voor drama in zich. De bunker loopt nog meters door onder het zand, het pand op de hoek was het NSB-hoofdkwartier, de huizenblokken tussen de bunker en de zee waren jarenlang geëvacueerde spookwoningen. Maar anno 2009 is het gewoon een vierkant ding en op de hoek zit nu een bakker die slagroomschnitt voor 5,95 euro in de reclame heeft. Gaillards pleidooi voor een romantische kijk op onze gebouwde omgeving mag meer navolging krijgen, maar de uitwerking is nog een probleem.