Mattheus Passie ontleed

Eigentijds Mattheus Passie van Boudewijn Tarenskeen, door Cappella Amsterdam. Regie Paul Koek. Gehoord: 26/2 Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam. Herh.: 2/4 Utrecht. Info: www.cappellaamsterdam.nl.

***

De Matthäus ligt op de dissectietafel. Want in de nieuwe Mattheus Passie van componist Boudewijn Tarenskeen wordt het lijdensverhaal volgens Matteüs, en deels ook Bachs monumentale toonzetting daarvan, vakkundig ontleed. Elf solisten zingen de tekst in fragmenten. Ze verbeteren elkaar en zingen vaak alsof ze zoeken naar de juiste invulling.

De enscenering onderstreept die onderzoekende toon. De zangers zitten aan een toneelbrede tafel, een verwijzing naar Da Vinci’s Laatste Avondmaal. Maar de elf enorme vergrootglazen en de flatscreens met daarop de gezichten van de zangers of delen van de partituur maken er vooral een wetenschappelijke aangelegenheid van die doet denken aan Rembrandts Anatomische les.

Tarenskeen houdt de muziek sober, vrijwel zonder instrumentale begeleiding, en met veel eenstemmige passages. De zangers gebruiken een postmodern palet met zangtechnieken: van brullerige heldentenor tot spreekzang, van quasi-Oosterse mantra’s tot Ligeti-achtige losse medeklinkers.

Die verschillen vertegenwoordigen evenzoveel individuele interpretaties van het evangelie. Maar het komt in deze enscenering nauwelijks over dat er ook een element van spot in zit. Tarenskeen wil een aantal archetypen te kijk zetten zoals ‘de actrice’ en ‘de Bachkenner’, maar desondanks lijkt de muziek zichzelf toch vooral erg serieus te nemen. De zangers van Capella Amsterdam soleren niettemin met verve.

Tarenskeen heeft een taal- en klankgerichte benadering van de Duitse passietekst. Die is abstracter dan de overduidelijk meeslepend bedoelde St. Johns Passion (2008) van James MacMillan, die het Koninklijk Concertgebouworkest in april speelt, of de recente Lucas Passie (2008) van Calliope Tsoupaki. De rol van Bachs muziek is aan het begin van de Mattheus Passie beperkt. Gaandeweg zijn echter steeds meer Bachiaanse harmonieën te horen. Aan het eind reikt Tarenskeen Bach pas écht de hand: het slotakkoord kopieerde hij letterlijk uit de Matthäus.