'Ik heb niet het gevoel dat ik er echt bij hoor'

‘Op mijn basisschool, het katholieke buurtschooltje, was 95 procent moslim en 99 procent zwart. In mijn buurt, Bos en Lommer, spelen kinderen na school tot elf uur op straat, voetballen, beetje rondhangen, praten. Er was een jongen wiens oudere broer verkeerde vrienden had. Daar ging ik steeds meer mee om. Zo deden wij dingen die bij ons in de buurt kattenkwaad heten en in Zuid criminaliteit: jatten in winkels en zogenaamd voor het goede doel geld ophalen, waarbij ik het woord moest doen omdat ik het beste Nederlands sprak en het kleinst was. Ik vond in die jongens mijn grote broers.

Er werden ruiten ingegooid in de buurt, ook van auto’s, er werd ingebroken in scholen. Toen mijn vader doorkreeg dat ik met de verkeerde mensen omging, heeft hij tegen me gezegd: ‘óf je ziet die jongens nooit meer, óf ik gooi je het huis uit’. Ik was toen tien, elf. Hij zei niet zomaar wat. Ik heb gekozen voor het eerste. Die vriend van mij en zijn broer accepteerden dat, omdat mijn vader goed bekend staat in de buurt, hij gaat vaak naar de moskee.

In groep acht scoorde ik 550 voor mijn Cito-toets (de hoogste score, red.) Mijn leraar had dat nog nooit meegemaakt en hij werkte al heel lang op die school. Mijn ouders deelden taart en snoep uit op school en waren trots op mij. Mijn vader ziet graag dat ik goed terechtkom. Hij verwacht veel van mij. Zodoende ging ik naar het Vossius Gymnasium in Zuid.

Het viel mij erg tegen op het Vossius. Ik wist van tevoren dat ik een van de enkele zwarten zou zijn op school, maar in de praktijk was ik eenzamer dan ik had gedacht. En ondanks mijn hoge score had ik problemen met de taal, ik snapte soms gebruikte woorden niet, en de humor. Maar de leraren hielpen goed.

Op de basisschool was veel meer agressie en werd er meer gevochten, toch was de klas daar hechter. Er was minder moeilijk gedoe tussen kinderen dat nergens over gaat, groepjesgedrag enzo. Nu zit ik in de vijfde en gaat het veel beter. Ik ben aan de cultuur op school gewend. Ik heb een aantal vrienden gemaakt.

Toch heb ik niet het gevoel dat ik er echt bij hoor. De omgang is gewoon anders. Ze spreken bij elkaar thuis af. Zelfs op de basisschool worden er in Zuid al speelafspraken gemaakt! Ik heb daar niets mee, spelen doe je op straat, en later ga je samen ergens heen. Ik zou niet weten wat ik bij vrienden thuis op visite zou moeten doen.

Mijn ouders hebben ook erg moeten wennen aan dat afspraken maken. Als ik in Pakistan met mijn vader naar het buurtcafé ga, vijf minuten lopen, doen we daar drie kwartier over omdat hij steeds met iedereen aan de praat raakt.

Mijn ouders spreken met elkaar hun streektaal, met mijn zusje en mij spreken ze de officiële landstaal, Urdu. Mijn zus en ik spreken onderling zo’n beetje halfhalf. Ik merk dat mijn ouders sommige woorden kwijtraken, ze gaan er Nederlandse woorden doorheen gooien. Al sinds mijn tiende lees ik thuis alle Nederlandse brieven die binnenkomen. Ze lagen ongeopend te wachten tot ik uit school kwam. Ik weet sinds die tijd alles. Dat was bij mij op de basisschool trouwens normaal, dat het oudste kind dat deed. Mijn vader spreekt inmiddels iets beter Nederlands dan mijn moeder, dat komt doordat hij werkt en mijn moeder niet, maar mijn moeder kan het beter lezen en schrijven.

Mijn vader werkt voor een bedrijf dat de wandbevestiging van schoolborden maakt. Hij is volwassen geworden zonder elektriciteit of wc in huis. In Nederland kun je altijd alles worden, maar in Pakistan heeft het niks met je capaciteiten te maken, het gaat er daar alleen om uit welke klasse je komt.

Tot vier jaar terug ging ik er ieder jaar heen, maar sinds mijn moeder niet meer naar Pakistan kan reizen wegens haar gezondheid, is het iedere twee jaar, omdat of mijn zus of ik natuurlijk bij mijn moeder moet blijven wanneer mijn vader weg is. Mijn vader bloeit daar echt op. Zijn hele familie woont daar. Mijn moeders broer en zussen wonen hier. Mijn vader zei altijd dat hij terug wilde, maar daar hoor ik hem de laatste jaren minder over.

Mijn buurtvrienden zeggen dat ze nooit op een school zouden kunnen zitten met zoveel witte mensen, ze vinden mij ‘verkaast’. Van mijn zwarte vrienden heeft niemand meer dan vmbo. Ook in de buurt hoor ik er niet echt bij. De Marokkanen en Turken hebben hun eigen wereld, met eigen winkels, cafés enzovoort, maar er zijn weinig Pakistanen. In Pakistan word ik gezien als een westerling. Hoewel allebei mijn ouders volledig Pakistaans zijn, ben ik er blijkbaar toch anders uit gaan zien en zijzelf trouwens ook, dat heeft niets met kleding te maken.

Met de cultuur die ze je leren bij Grieks en Latijn, heb ik nog meer dan met de Nederlandse. Familie is hier niet zo belangrijk. De opvoeding is veel vrijer dan bij mij thuis, en toch hebben de kinderen minder respect. Ik wil echt iets neerzetten voor mijn ouders, dat willen zij niet. Ze zeggen bij mij op school: ‘Ik ga op mijn achttiende meteen op kamers want ik houd het niet langer uit thuis.’ Dan zeg ik: ‘Dat wordt dan hard werken om dat allemaal te betalen naast je studie’, maar dan zeggen zij: ‘Nee joh, dat betalen mijn ouders gewoon.’ Ik snap daar niets van.

Kinderen op witte scholen zeggen, als hun ouders last van ze hebben: ‘Dan hadden ze maar geen kinderen moeten nemen.’ Onbegrijpelijk vind ik dat en ik kan er slecht tegen. Mijn vader is streng, maar als hij destijds niet zo strikt voor mij was geweest toen het mis dreigde te gaan, was ik nu niet waar ik ben.

Wij waren met de klas op studiekeuzedag. Ik bleef lang bij de pilotenstand staan, want ik wil al sinds groep 6 piloot worden. Toen sms’te een klasgenoot naar een andere jongen dat ik zeker later een vliegtuig bij een gebouw naar binnen wilde boren. Zo blijf ik toch de moslim en de allochtoon. Het is een grap en het kan me niets schelen. Ik word er ook niet boos om. Ik grap er nog harder overheen. Op school sta ik bekend als de grappenmaker van het stel. Toch vind ik mezelf volwassener dan de meesten op school.

Kinderen uit de goede buurten hebben minder zelfrespect dan bij ons. Ze kunnen wel goed leren op school, maar verder leren ze weinig en zitten ze altijd binnen. Wat betreft omgaan met mensen, dingen oplossen en reageren op situaties snappen ze er nog niet veel van. Wat dat betreft kun je beter in West opgroeien. Mijn ouders zouden graag in Zuid willen wonen, veilig en rustig.

Ik verdien al jaren bij. Een paar jaar heb ik op zaterdag en zondag op de Zwarte Markt in Beverwijk gewerkt. Daar werken veel Pakistanen. En Afghanen. Daar had ik het prima naar mijn zin, maar het werd te veel naast mijn huiswerk, dus ben ik ermee opgehouden.

School gaat bij mij bepaald niet vanzelf. Ik werkte daarnaast in de AH, maar daar heb ik net ontslag genomen omdat ik een beter betaald baantje kan krijgen. Dat vind ik jammer, want ik heb het daar drie, vier jaar heel leuk gehad. Ik miste het omgaan met zwarte vrienden en bij de AH werken veel zwarten.

Wat ik echt nooit zou doen, is oppassen. Mijn Vossius-vrienden passen ’s avonds op kleine kinderen. Dat vinden ze bij mij in de buurt een nichtenbaantje. Dat doe je niet als jongen, ze zouden me keihard uitlachen. Er zijn dingen die niet bij elkaar komen wat culturen betreft.

Mijn tante ging bij haar Nederlandse buurvrouw op bezoek. Zegt die vrouw: ‘Ik ben heel verdrietig, het is zo vreselijk naar, mijn kindjes zijn overleden, van de ouderdom.’ Mijn tante schrok en begreep het niet. Bleek het om haar hondjes te gaan! In Pakistan zijn honden waakhonden, geen kinderen.

Nog zoiets: er loopt op het Vossius een jongen rond die thuis een butler heeft. Daar schaamt hij zich voor. Ik zou daar trots op zijn. Ik begrijp ook niets van die rijke kinderen die met zo’n te lage broek aan straattaal gaan praten of dat in ieder geval proberen. Willen ze liever straatkinderen zijn?

Ik heb een Pakistaans en een Nederlands paspoort, maar ik voel mij geen van beide. Ik worstel wel met vragen daarover. Waar hoor ik bij? Voed ik mijn kinderen op als moslim? Maar dat komt allemaal later wel. Eerst volgend jaar eindexamen doen en dan word ik piloot.”

Santje Kramer en Jacqueline Hoefnagels