Hersenmoraal

Mensen met beschadigingen in het ‘moreel netwerk’ maken heel koele, onpersoonlijke afwegingen.

We hebben in onze hersenen een ‘moreel netwerk’ waarvoor de neurobiologische bouwstenen tijdens de evolutie stapsgewijs zijn ontwikkeld. In de eerste plaats nemen we de emoties van anderen waar door middel van ‘spiegelneuronen’. Het kijken naar een handbeweging die iemand maakt stimuleert dezelfde hersencellen die geactiveerd worden wanneer je zelf die beweging uitvoert. Die spiegelneuronen zijn de basis voor ons leren door na-apen. Dit imitatiegedrag verloopt grotendeels automatisch. Pasgeboren mensenbaby’s van minder dan een uur oud zijn al in staat om mondbewegingen van volwassenen te kopiëren. Spiegelneuronen werken ook bij emoties. Zij maken het zo mogelijk dat je in kunt voelen wat een ander voor emoties meemaakt en zij zijn zo de basis voor empathie. Er zijn spiegelneuronen ontdekt in de prefrontale cortex (PFC), het voorste deel van de hersenen, en in andere delen van de hersenschors.

Onze grote PFC bevat belangrijke componenten van ons moreel netwerk. De PFC zorgt ervoor dat de waargenomen emoties gekoppeld worden aan morele opvattingen. Hij reageert op sociale signalen en remt impulsieve, egoïstische reacties af. Ook voor het gevoel een eerlijke ‘deal’ te maken is de PFC essentieel. Het belang van de PFC voor ons moreel besef is gebleken uit de gevolgen van beschadigingen door tumoren, schotwonden en andere letsels in dat gebied, die kunnen leiden tot asociaal, psychopathisch en immoreel gedrag. Een rechter in de VS kreeg een prefrontale-cortexbeschadiging door granaatscherven. Hij kon daardoor geen enkel gevoel meer opbrengen voor de verdachten en hield op met zijn functie. Beschadiging van de PFC op jeugdige leeftijd leidt tot stoornissen in morele opvattingen en gedrag dat we kennen van psychopaten. Bij van moord beschuldigde mannen werden stoornissen in de functie van de PFC gevonden. Patiënten met een frontotemporale dementie, een hersenziekte die begint in de PFC, vertonen nogal eens asociaal, crimineel gedrag, zoals ongevraagde seksuele benaderingen, verkeersovertredingen waarna wordt doorgereden, lichamelijk geweld, diefstal, inbraak en pedofilie. Pas later blijkt dan dat deze gedragsveranderingen het begin waren van het ziekteproces.

De PFC staat centraal bij het nemen van beslissingen bij morele dilemma’s, zoals testen waarbij het opofferen van het leven van één persoon nodig is om een paar anderen te redden. Voor de meeste van ons zijn dit onmogelijke beslissingen om te nemen, maar mensen met een beschadiging van de PFC maken heel koele, zeer onpersoonlijke afwegingen. Ze voelen geen empathie of medelijden bij dit soort vreselijke beslissingen.

Naast de prefrontale cortex zijn ook andere corticale en subcorticale hersengebieden van belang voor ons moreel functioneren, zoals het voorste deel van de temporaalkwab met hierin een amandelvormige kern (de amygdala), het septum dat tussen de hersenholtes is gelegen, het belonend systeem (het ventrale tegmentum) en de hypothalamus, die in de basis van de hersenen ligt. Al deze gebieden zijn essentieel voor de motivatie en emoties van ons morele gedrag. De amygdala is ook betrokken bij het inschatten van de sociale betekenis van gezichtsexpressies en van de juistheid van de reactie daarop. Bij moordenaars en psychopaten zijn er afwijkende functies gevonden van de amygdala hetgeen ook verklaart waarom psychopaten minder reageren op gezichtsexpressies als verdriet en vrees. Bij van moord beschuldigde mannen werden deficiënties in de temporale hersenschors gevonden.

Het morele netwerk is dus niet alleen maar gelokaliseerd in de tijdens de recente evolutie verworven hersenschors, de neocortex. Ook de evolutionair oude gebieden zijn cruciaal voor onze morele functies. Typisch morele emoties zoals schuldgevoel, medelijden en empathie, schaamte, trots, verachting, en dankbaarheid, alsook walging, ontzag, verontwaardiging en woede zijn afhankelijk van de interacties van de genoemde hersengebieden. Functionele hersenscans, gemaakt tijdens testen waarbij vreselijke morele dilemma’s worden voorgelegd, zoals het smoren van een huilende baby om meer levens te redden, laten activiteitsveranderingen zien in hersengebieden waarvan we al eerder wisten dat beschadigingen en tumoren er tot morele problemen kunnen leiden.

Maar we moeten bij al deze mooie morele impulsen niet vergeten dat empathie het niet alleen mogelijk maakt om anderen te begrijpen en met hen mee te voelen, maar ons ook in staat stelt om ons voor te stellen wat anderen zullen meemaken als we hen opzettelijk kwetsen of martelen, en ook die impulsen kunnen we vervolgens met verve volgen.

De auteur is hoogleraar in de neurobiologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is verbonden aan het Nederlands instituut voor Neurowetenschappen. Vragen en reacties kunt u sturen naar zbrieven@nrc.nl