Goed verdienen aan een veiliger Nederland

Het aantal claims bij verzekeraars voor schade door brand en inbraak is sinds 1995 fors gedaald. De verzekeringspremie daalt echter niet mee. Dat is kassa voor de verzekeraars.

Afgezien van de grotere kans op ontslag door de economische crisis is het leven in Nederland bijzonder veilig. Veel veiliger dan tien, vijftien jaar geleden. Neem autorijden. Het aantal keren dat bestuurders of passagiers een autorit niet overleven, is sinds 1995 gehalveerd. Of neem een bezoekje aan de zaterdagse markt. De kans op een gerolde portemonnee is sinds 1995 met de helft afgenomen. Op het werk is het veiliger. In de industrie is het aantal bedrijfsongevallen de laatste jaren gehalveerd.

Ook thuis is het dubbel zo veilig geworden. Inbrekers zijn minder vaak op pad. De kans op inbraak is de afgelopen tien jaar gehalveerd, zo blijkt uit enquêtes naar slachtofferschap van criminaliteit.

Minder bekend is het dat ook brand thuis minder vaak voorkomt. Het gaat om een grote daling zonder duidelijke oorzaak. De dalende trend in woningbranden is ook op de eerste hulp van ziekenhuizen te merken. Daar komen nu twee keer zo weinig mensen binnen vanwege brandwonden door een privéongeval als in 1995, zo blijkt uit een overzicht van de Stichting Consument en Veiligheid.

Veiliger leven betekent minder angst, verdriet en dood. Honderdduizenden Nederlanders wordt nu ellende bespaard die hun vijftien jaar geleden zou zijn overkomen. Vergeleken met 1995 gaat het jaarlijks om 140.000 minder woninginbraken, 2.700 minder verkeersslachtoffers in personenauto’s, 50.000 minder bedrijfsongevallen, 4.000 minder mensen op de eerste hulp vanwege brandwonden, 2.000 minder woningbranden.

Economisch gezien betekent veiliger leven minder schade. Zo claimden mensen vijftien jaar geleden twee keer zo vaak schade op hun inboedelverzekering als nu. Claims voor schade door inbraak komen de helft minder voor dan in 1995; claims voor brand- en schroeischade aan het interieur zijn met bijna 80 procent gedaald, blijkt uit cijfers van het Verbond van Verzekeraars, de belangenclub van verzekeraars. Op inboedelverzekeringen wordt hierdoor jaarlijks 70 miljoen euro minder schade geboekt dan in 1995.

Als de geclaimde schade afneemt, dan kan de verzekeringspremie omlaag. Andere kosten van schadeverzekeraars, bijvoorbeeld voor administratie en provisie, zijn niet harder gestegen dan de inflatie, meldt het Verbond. De premies van schadeverzekeringen „staan voortdurend onder druk door de felle concurrentie op nagenoeg verzadigde markten”, staat in het meest recente jaarverslag van de belangenvereniging.

Wat blijkt? De gemiddelde Nederlander betaalt nu ongeveer evenveel voor een inboedelverzekering als vijftien jaar gelden. De gemiddelde premie was in 1995 90 euro en vorig jaar 120 euro. Rekening houdend met de inflatie is de premie precies even hoog.

De verzekeraars geven het voordeel van een lagere schadelast dus niet door aan de consument. Op een gemiddelde inboedelpolis verdienen zij nu twee keer zo veel als vijftien jaar geleden. Tweederde van de betaalde premie ging in 1995 op aan schade; nu is dat een derde. Het resultaat laat zich raden. De verzekeraars brengen geen aparte gegevens naar buiten over de winst op inboedelverzekeringen, maar wel voor inboedel- en opstalverzekeringen samen. Het rendement daarop ligt de laatste jaren tegen de 15 procent.

Beconcurreren verzekeraars elkaar dan niet met aantrekkelijke, lage premies? Een bezoek aan websites met aanbiedingen van verzekeraars geeft wel die indruk. „Die aantrekkelijke premie vinden is een kwestie van even vergelijken tussen de verschillende verzekeraars. Vijf minuten werk”, zegt Erik Hordijk, directeur van Verzekeringssite.nl, een onafhankelijke website waarop consumenten financiële producten kunnen vergelijken en afsluiten.

Wie vergelijkt, ziet een brede waaier aan premies. Zo kan een gezin met kinderen uit Bleiswijk voor een inboedelverzekering met uitgebreide dekking terecht bij de ING voor 226 euro per jaar, met een eigen risico van 100 euro. Nationaal Spaarfonds biedt een polis aan met een nog betere dekking voor 81 euro per jaar, zonder eigen risico. Tussen de premie van hoogste en de laagste aanbieder zit bijna een factor drie verschil.

De grote verschillen in premies zijn typisch voor deze markt, zegt Hordijk. „Een pomphouder die benzine aanbiedt voor een drie keer zo hoge prijs als de concurrent, kan wel sluiten. Op de markt voor inboedelverzekeringen kan dit gewoon.” Een reden is dat de premies al naar gelang de persoonlijke situatie sterk verschillen. Voor de één kan de ING het duurst zijn en voor de ander het goedkoopst. Veel mensen kunnen echter geen andere verzekeraar met een lagere premie opzoeken, omdat zij vastzitten aan langlopende contracten, tot wel vijf jaar. Tussentijds opzeggen van een verzekering is er vaak niet bij. De websites van consumentenprogramma’s als Kassa staan vol reacties van gefrustreerde klanten die er achter komen dat ze nog jaren vastzitten aan een dure polis.

De langdurige contracten voorkomen dat klanten overlopen naar goedkopere verzekeraars. Na klachten van consumentenorganisaties is in 2006 een maximale looptijd van vijf jaar in de wet vastgelegd. Eerder kwam het voor dat mensen tot wel tien jaar vastzaten aan een contract. „De trend in de markt is kortere contracten”, zegt een woordvoerder van het Verbond van Verzekeraars.

Bovenop de langdurige contracten komt het stilzwijgend verlengen van verzekeringen. De klant moet tijdig opzeggen, twee maanden voor het aflopen van de verzekering, anders loopt de polis door. Een klant zit dan bijvoorbeeld opnieuw aan een vijfjarig contract vast. Het korte moment waarop klanten kunnen overstappen beperkt natuurlijk de concurrentie tussen verzekeraars. Waarom de premie verlagen als de polis toch stilzwijgend wordt verlengd?

Het Verbond van Verzekeraars heeft in 2006 de leden opgeroepen om klanten tijdig te informeren over contractverlenging. „Dat is er bij veel verzekeraars niet van gekomen”, zegt een woordvoerder van de belangenvereniging. „Het bleek een te ingewikkelde en kostbare operatie, dus dat hebben ze maar laten schieten.”

Toch ziet Erik Hordijk van Verzekeringssite.nl consumenten niet als willoze slachtoffers van geldbeluste verzekeraars. Hij denkt dat veel mensen andere prioriteiten hebben. „Verzekeringen vergelijken is vrij gemakkelijk, maar een nieuwe plasma-tv uitzoeken is interessanter. En dat terwijl er vaak honderden euro’s te besparen zijn.”

Inboedelverzekeringen blijven een melkkoe totdat meer consumenten op zoek gaan naar lage premies, korte contracten en op elk moment opzegbare verzekeringen. Bij autoverzekeringen is te zien dat na jaren van grote winsten uiteindelijk druk ontstaat op de premies. Verzekeraars hebben hier te maken met wat actievere consumenten. Mensen kopen vaker een andere auto dan dat ze verhuizen, waardoor er vaker overstapmomenten zijn. Ook is er meer te besparen: autoverzekeringen zijn twee tot vier keer zo duur als inboedelverzekeringen.

De verzekeraars hebben een daling van de gemiddeld betaalde premie op de autoverzekering lang weten te voorkomen. Het was zaak de goed betalende zittende klanten vast te houden en toch de voordeel zoekende consument binnen te halen. Voor de actieve consument kwamen de verzekeraars met nieuwe verzekeringen met een fors lagere premie, zoals de ‘Nationale autoverzekering’ van Ohra of ‘Inshared’ van Achmea. Voor bestaande klanten bleef er de bestaande autoverzekering met de hoge premie.

Door het groeiende gat tussen premie en schadelast is het rendement de afgelopen jaren gestegen van nul naar meer dan 10 procent. Nu meer consumenten zijn overgestapt naar een goedkopere autoverzekering, begint de gemiddeld betaalde premie pas te dalen.

Maar de druk op de premies van autoverzekeringen is er al weer vanaf. Verschillende verzekeraars lieten begin dit jaar weten de premies te verhogen vanwege „de toegenomen schadelast”. De actie lijkt zich nu te verplaatsen naar de inboedelverzekeringen. Daar komt binnenkort een soortgelijke „prijzenslag”, voorspelde onlangs Gerard van Olphen, financieel directeur van Eureko, de moedermaatschappij van onder andere FBTO en Centraal Beheer. Van Olphen zei te verwachten dat de toenemende concurrentie blijvend is.