Die domme steden

Torens bouwen is niet de beste manier om veel woningen op een klein oppervlak te krijgen. Dat zegt Rudy Uytenhaak. Bernard Hulsman

Verdichting’ is de toekomst van de Randstad, vindt het kabinet Balkenende IV. De vier bestaande grote steden in het volle westen van Nederland moeten nóg dichter worden bebouwd, zo bepaalt de Structuurvisie Randstad 2040, de kabinetsnota die een paar maanden geleden verscheen. In de vier grote Randsteden moeten 200.000 woningen komen van de 500.000 die tot 2040 in de Randstad zullen worden gebouwd. Omdat deze steden maar weinig bouwgrond hebben, moeten ze dus ‘verdichten’.

Bij dichte bebouwing krijgt iedereen visioenen van wolkenkrabbers, zoals in Hong Kong of New York. Ook minister Cramer van VROM liet bij de presentatie van Structuurvisie Randstad 2040 Manhattanachtige torens zien als hét toekomstbeeld voor de Randstad. Maar hoogbouw is zeker niet de enige vorm van intensieve bebouwing, weet architect Rudy Uytenhaak. “Als het woord verdichting valt, denkt iedereen aan het stapelen van vloeren”, zegt hij op een regenachtige ochtend op zijn kantoor in Amsterdam. “Maar dat is een beperkte, ‘moderne’ interpretatie. In oude steden zie je dat dichte bebouwing bestaat uit heel diepe woningen – er waren tenslotte nog geen liften. Veel oude woningen zijn veertien meter of zelfs meer diep, maar hebben wel een royale verdiepingshoogte. Maar tijdens de wederopbouw van Nederland na de Tweede Wereldoorlog zijn de bouwers van de massawoningbouw teruggegaan naar woningdieptes van negen meter en werd verdichting synoniem met stapelen.”

Met zijn boek Steden vol ruimte. Kwaliteiten van verdichting wil Uytenhaak laten zien dat er meer mogelijkheden voor verdichting zijn dan hoogbouw. Het boek is de weerslag van het onderzoek dat Uytenhaak als praktijkhoogleraar woningbouw aan de Technische Universiteit in Delft van 2003 tot 2006 heeft gedaan naar dichte bebouwing. In deze jaren werkte hij, samen met enkele medewerkers en studenten, een dag in de week aan wat hij de ‘verwetenschappelijking’ van de woning en stedenbouw noemt. Resultaten van het onderzoek staan ook op de website www.stedenvolruimte.nl.

“Ik ben eigenlijk al mijn hele loopbaan bezig met de vraag hoe je op een aantrekkelijke manier dicht kunt bouwen”, vertelt hij. “Daar is opmerkelijk weinig onderzoek naar gedaan. Een stedenbouwer als Cornelis van Eesteren, van 1928 tot 1960 hoofd van de dienst Stadsontwikkeling in Amsterdam, deed wel veel demografisch en ruimtelijk onderzoek voor zijn Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Maar zijn uitgangspunt was ‘licht, lucht en ruimte’. Hij en andere modernisten als Le Corbusier zagen de dichtbebouwde stad als iets verderfelijks waar radicaal mee gebroken moest worden. Zij wilden de zieke stad met zijn slums, smog en tbc gezond maken door de bebouwing te spreiden. Maximaal twaalf procent van het grondoppervlak wilde Le Corbusier bebouwen. Als je dan dezelfde dichtheid wilt als in de Amsterdamse binnenstad, moet je torens van 18 verdiepingen bouwen. Wil je de dichtheid van Parijs, dan moeten ze 36 verdiepingen krijgen.

“Maar nu, een eeuw welvaartsstijging later, blijken dichtbebouwde steden juist aantrekkelijk. Ze bieden de nabijheid van allerlei voorzieningen, activiteiten, gebeurtenissen en mensen die je waardevol vindt. Ze kennen ook een grote wisselwerking tussen publieke- en private domeinen. Een grotestadsbewoner kijkt als een vogeltje over de rand van zijn nest en weet dat hij met een paar vleugelslagen overal kan komen. Maar dichte bebouwing heeft als nadeel dat kwaliteiten als licht, lucht, privacy, uitzicht en oriëntatie onder druk komen. Daar kunnen architectuur en stedenbouw oplossingen en compensatie voor bieden. Wetenschappelijk onderzoek moet de kennis daarover toegankelijk maken en verdiepen.”

Volgens Uytenhaak omvat de wetenschap van de stedenbouw drie delen: “Er is een alfa-deel waarin het gaat om de manier waarop de fysieke ruimte en de culturele ruimte met elkaar zijn verbonden. Een stad is een ingenieus ruimtelijk systeem van private en publieke ruimten, een spons die leven en verhalen absorbeert. Dan heb je een gamma-deel dat al grijpbaarder is dan het alfa-deel, maar nog niet exact kwantificeerbaar. Het gaat hier om kwaliteiten als privacy in dichte bebouwing. En ten slotte is er het bèta-deel, het weten-is-meten-deel, met verifieerbare, cijfermatige gegevens over de capaciteit en kwaliteit van verschillende wijzen van bebouwing.”

Steden vol ruimte behandelt alle drie delen van de wetenschap van de stedenbouw, maar de nadruk ligt toch op het bèta-deel. Belangrijk onderdeel van de site www.stedenvolruimte is bijvoorbeeld de ‘tarratelescoop’ – tarra is het verschil tussen bruto en netto. De tarratelescoop maakt de kwantitatieve gevolgen duidelijk van stedenbouwkundige keuzen. Wie bijvoorbeeld kiest voor grote privé tuinen, krijgt met de tarratelescoop te zien hoeveel ruimte er dan in de omgeving overblijft voor bijvoorbeeld openbaar groen en water in de woongebieden. De telescoop laat ook zien hoe verschillende woongebieden in elkaar zitten. In Amstelveen bijvoorbeeld blijkt voor een woning van honderd vierkante meter, inclusief de ruimte voor tuinen, straten, groen, water enzovoorts, een oppervlakte van van 1400 vierkante meter nodig. In het Amsterdam van binnen de ringweg is dat 200 vierkante meter en in het Parijs van binnen de péripherique 100 vierkante meter. “En we hebben per persoon maar 2200 vierkante meter ter beschikking in Nederland”, zegt Uytenhaak.

Het boek besluit met negen wetten van dichtheid, begeleid door tal van cijfers en grafieken. “Bij een gelijke gevelindex hebben drie ruimtelijke basispatronen – patio’s, stroken en bouwblokken – een gelijke dichtheid; torens bezitten de laagste dichtheid”, luidt bijvoorbeeld de derde wet van dichtheid.

Waarom moeten de steden eigenlijk dichter worden bebouwd? Dertien procent van het Nederlands grondgebied is bebouwd, tweederde bestaat uit landbouwgrond en acht boeren per dag houden ermee op. Ruimte genoeg dus voor het vrijstaande huis dat veel mensen willen.

“Je vergist je, het gaat heel hard. In 1950 was nog maar 2,5 procent bebouwd. Blijven we woningen bouwen zoals we nu doen, dan leidt dit tot een enorm ruimtebeslag. Er is sprake van een sneeuwbaleffect. In de twintigste eeuw heeft Nederland drie maal zo veel inwoners gekregen. Die wonen met twee keer zo weinig mensen in een woning die in de loop van de eeuw twee keer zo groot is geworden. Dat betekent dat wij in het jaar 2000 twaalf maal zo veel gebouwde ruimte bewoonden als in 1900 en die woningen staan dan nog eens op twee keer zo veel grond.

“En de toename van het ruimtebeslag is nog niet ten einde. Het aantal bewoners per woning neemt nog af, en ik verwacht dat de omvang van de woningen in de toekomst verder toeneemt. Misschien groeien ze door de kredietcrisis nu even niet, maar woningen worden groter dan gemiddeld 75 vierkante meter. Welvaartsgroei leidt nu eenmaal tot een groter ruimtebeslag per persoon. Ik schat dat de ‘gezinsverdunning’ en de woningvergroting samen zorgen voor een verdubbeling van de ruimtebehoefte in 2040. In de Randstad zal het grondoppervlak dan vrijwel geheel bebouwd zijn. Er zit dus niets anders op dan verdichting.”

Nabijheid noemt u als een van de grote voordelen van de dichtbebouwde stad, Maar is nabijheid nog wel belangrijk in deze tijd waarin bijna iedereen met de auto overal naar toe kan en de hele wereld via internet zijn huis kan binnenhalen?

“Niet voor niets worden steden het belangrijkste cultuurproduct genoemd van de mensheid. De stad biedt de mogelijkheid om je onder te dompelen in een bad van cultuur en de ruimte te delen met andere mensen. Waarom zie je anders mensen met hun laptop in het Blauwe Theehuis in het Vondelpark in Amsterdam zitten? Het is onze taak om er voor te zorgen dat dichtbebouwde steden aantrekkelijk zijn en blijven. Dat betekent bijvoorbeeld dat we de wens tot grotere woningen moeten verenigen met dichte bebouwing. In Wenen, München en de VS wonen de mensen veel groter dan in Nederland. Jonge mensen die op mijn bureau in Amsterdam werken, wonen allemaal voor veel geld in kleine woningen. Ze houden van het bad dat de stad hun biedt en accepteren daarom een dure woning van veertig vierkante meter, zelfs als ze een kind hebben. Maar als je in de buitenwijken rondom de steden een veel grotere woning kunt krijgen voor minder geld, dan komt er een moment dat zelfs de verstokte grotestadsbewoner naar suburbia verhuist. We moeten de stad zo genereus maken dat mensen die dat eigenlijk willen, er blijven wonen.”

Als dichte bebouwing zo urgent is, hoe komt het dan dat stedenbouwers er zo weinig van weten?

“Nederland heeft te maken met de wet van de remmende voorsprong. Door onze beroemde Woningwet van 1901 en de nadruk op sociale woningbouw hebben we in de twintigste eeuw een beperkt aantal woningtypen – het rijtjeshuis, de portieketagewoning en de galerijflat – zo goed gemaakt, dat ontwikkelaars en ontwerpers er steeds op terugvallen. Dat is fnuikend voor de diversiteit van de stad. Daarom moeten we, als een soort scheikundigen, die bekende woningtypes uit elkaar halen. Vervolgens kunnen we met die basiselementen nieuwe stedelijke weefsels maken.

“We hebben in de loop van de twintigste eeuw ook veel intuïtieve kennis over stedenbouw verloren. In oude, traditionele steden zijn alle facetten van de bebouwing zeven keer tegen het licht gehouden en verder verfijnd wegens de noodzaak om met ruimte te woekeren. Daarom zijn oude steden veel sensitiever gebouwd dan nieuwe. De paradox is dat, om misstanden te voorkomen, architecten nu te maken hebben met tal van regels van bijvoorbeeld het Bouwbesluit. Die regels zijn vaak zo bindend en simpel dat ze nadenken en subtiele oplossingen in de weg staan. Neem nu zoiets al lichttoetreding in de woning. Daarvoor is de zogenaamde belemmeringshoek de maatstaf. Die bepaalt hoe ver gebouwen van elkaar moeten staan. Maar deze parameter is niet meer dan de hoek van de lijn van de daklijst van het ene gebouw naar de voet van het gebouw er tegenover. Dat zegt wel iets over het licht op de gevel, maar de lichttoetreding in de woning op de begane grond wordt ook bepaald door de verdiepingshoogte. Daarom kennen veel oude woningen afnemende verdiepingshoogten. De onderste verdieping is vaak drieënhalve meter hoog of nog hoger en bestaat grotendeels uit ramen. Hierdoor kunnen de woningen veel dieper worden dan negen meter. Soms zijn ze, dank zij een lichthof in het achterhuis meer dan 20 meter diep. Hogere verdiepingen worden steeds lager.

“Je moet de belemmeringshoek combineren met de verdiepingshoogte, maar dat gebeurt nu niet. Een architect van nu richt zich op de regels, tekent een gebouw en vraagt de bouwfysicus en de installateur het klimaat te regelen. Zo is de samenhang in het bouwen verloren gegaan en maken we nu steden die dommer in elkaar zitten dan traditionele.’’

Wat is de verrassendste wet van de dichte bebouwing?

“Toch wel dat hoogbouw niet altijd de beste manier is om te verdichten. Bij toenemende hoogte moeten torens wegens de belemmeringshoek steeds verder uit elkaar worden gezet, zodat verder stapelen steeds minder rendeert. Kwalitatief is hoog wonen ook niet voor iedereen aantrekkelijk; veel mensen willen misschien niet zozeer een tuin, maar vooral geen bovenburen. Verder levert het bouwen van alleen torens geen diversiteit op. En juist verscheidenheid laat steden bloeien en biedt compensatie voor het hutje-mutje-gevoel. Bovendien maken de meeste torens alleen op de begane grond contact met de publieke ruimte.

“Als je in een stad de uitwisseling tussen publieke en private domeinen belangrijk vindt, dan leiden torens tot een schrale stad. Steden vol ruimte laat zien dat verdichting ook op andere, slimmere manieren kan. Laagbouw in hoge dichtheid is de blinde vlek van de Nederlandse stedenbouw.”

Rudy Uytenhaak: Steden vol ruimte. Kwaliteiten van dichtheid. Uitg. 0.10, 120 blz. Prijs 29,50 euro. www.stedenvolruimte.nl