'De waarheid komt niet boven'

Christ Klep vergeleek de nasleep van vredesmissies. „Ministeries zijn geschoold in het niet vastleggen van de kernmomenten.”

Nooit zullen we er achter komen, zegt militair historicus Christ Klep, waarom Nederland in 2003 nou precies politieke steun gaf aan de invasie van Irak. Een onafhankelijke commissie gaat daar in opdracht van het kabinet een onderzoek naar instellen, maar Klep heeft er weinig fiducie in.

„Ik schat dat er bij de ministeries honderdduizenden bladzijden terug te vinden zijn over het Irak-besluit”, zegt hij. „Maar ook als de commissie die allemaal bestudeert, dan nóg zal ze niet dat ene kernmoment terugvinden waaruit blijkt waarom wij die oorlog steunden. En dat komt doordat dit soort organisaties geschoold is in het niet vastleggen van de kernmomenten.”

In heikele kwesties hebben militaire, politieke en ambtelijke organisaties de neiging om weg te duiken voor verantwoordelijkheid, stelt Klep. Het is zijn specialisme. Deze maand promoveerde hij op een proefschrift over de nasleep van drie dramatisch misgelopen vredesmissies: een Canadese in Somalië (in 1993), een Belgische in Rwanda (1994) en de Nederlandse in de Bosnische enclave Srebrenica (1995).

Hoe verschillend de missies ook waren, Klep stuitte op frappante overeenkomsten. Verantwoording afleggen ging slechts met de grootste moeite. In alle drie de landen kostte het jaren voor de kwesties min of meer konden worden afgesloten. Onderzoekscommissies probeerden de onderste steen boven te krijgen. Maar uiteindelijk bleven er altijd belangrijke vragen onbeantwoord.

Canada had een smet op zijn blazoen doordat Canadese vredestroepen op misdadige wijze twee jonge Somaliërs hadden gedood – één in een valstrik, de ander na hem urenlang te hebben mishandeld. De Belgen worstelden nog jaren met hun besluit om Belgische VN-soldaten in 1994 uit Rwanda terug te trekken, terwijl de Hutu’s net hun genocide hadden ontketend. En in Nederland viel na zeven jaar alsnog een kabinet over het fiasco in Srebrenica, waar de militairen van Dutchbat hadden toegekeken hoe achtduizend moslims door Bosnisch-Servische troepen werden weggevoerd om vermoord te worden.

„In alle drie gevallen werden er onderzoekscommissies ingesteld omdat men dacht dat er onwrikbare feiten boven tafel zouden komen, die precies duidelijk zouden maken wat er gebeurd was. Als historicus weet ik: dat lukt je nooit”, zegt Klep, die wetenschappelijk medewerker was bij de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht en nu verbonden is aan de Universiteit Utrecht.

„Neem dat Canadese geval: de militair die op de bewuste dag het verslag moet maken, schrijft heus niet op: een van onze militairen heeft urenlang een onschuldige Somalische jongen gemarteld tot de dood erop volgde. Hij schrijft: Er heeft zich een incident voorgedaan in een van onze bunkers – nader onderzoek volgt.

„In Srebrenica had je de kwestie van het stapeltje paspoorten van moslimmannen, waarvan een Bosnisch-Servische officier had gezegd: die hebben ze niet meer nodig – een signaal dat er iets onheilspellends stond te gebeuren. Een Nederlandse militair zegt dat hij dit heeft doorgebeld naar het hoofdkwartier, maar twee militairen van het hoofdkwartier houden vol dat er niet gebeld is. Misschien was dit een kernmoment, maar je krijgt er geen uitsluitsel over.”

Toch zijn onderzoekscommissies bij politici geliefd, zegt Klep. „Ze maken lastige problemen bestuurlijk beheersbaar. Je weet ongeveer wat er gaat gebeuren. Er komt bronnenonderzoek, alle getuigen vertellen hun allang versteende verhaal en dan komt er een rapport met aanbevelingen. Steevast luidt de drieledige reactie van de overheid: 1. geweldig dat dit rapport er is, 2. er zitten alleen wél grote lacunes in, en 3. alle aanbevelingen hebben we al doorgevoerd. Ik denk dat het met het Irak-onderzoek net zo zal gaan.”

Bovendien, zegt Klep, zal de commissie zich mede moeten baseren op rapporten van inlichtingendiensten. „Daar kun je uithalen wat je wilt. Inlichtingendiensten willen nooit gepakt worden op stelligheid, daardoor zijn alle analyses uiteindelijk grijs. In Rwanda schreef men: er zijn aanwijzingen dat een massamoord wordt voorbereid, maar we weten het niet zeker.”

Niet alleen in Nederland, maar ook in België en Canada bleek de politiek niet in staat op een geloofwaardige manier en binnen een bevredigende termijn verantwoording af te leggen. Terwijl de inzet in alle gevallen hoog was: het ging om kwesties van leven en dood, moed of lafheid, er stonden nationale reputaties op het spel.

„Juist in zulke belangrijke kwesties zou de parlementaire controlefunctie optimaal moeten werken. Maar wat zie je? In alle drie de landen bleken regering en parlement zo met elkaar verweven dat het proces van verantwoording ongeloofwaardig werd. Het parlementair dualisme liet het compleet afweten.”

Hoe meer het parlement betrokken wordt bij de besluitvorming over militaire missies, stelt Klep, hoe moeilijker het voor diezelfde parlementariërs wordt om er als het mis gaat nog kritisch over te oordelen. „In Nederland moet de regering de Kamer inlichten zodra ze wil deelnemen aan een nieuwe missie, op grond van artikel 100 van de Grondwet. Ik vind dat al te ver gaan: de regering is er voor het buitenland- en defensiebeleid, het parlement is er voor de controle. Dat moet je niet vermengen.”

Bij grote beleidsfiasco’s met een morele lading, zoals Srebrenica, is het niet genoeg naderhand een bestuurlijke oplossing te zoeken, zegt Klep. „Dat kan je doen bij een technische kwestie, als de HSL. Als het om een zaak gaat met een grote ethische component moet er, liefst zo snel mogelijk, een zuiverend moment komen: het aftreden van een minister bijvoorbeeld. Alle ministers in mijn boek deinzen daarvoor terug, omdat ze dat zien als schuld bekennen.”

Maar het is toch niet voor niets dat in binnen- en buitenland nog jarenlang getwist is over de precieze toedracht van een drama als Srebrenica? Is dat soort situaties niet veel te complex om er politici individueel verantwoordelijk voor te stellen? „Nee, juist omdát het allemaal zo complex is dat je alles kan afschuiven, zou de ministeriële verantwoordelijkheid heel principieel moeten worden uitgevoerd.

„Maar ons politieke systeem kan dit soort verantwoordingsprocessen niet meer aan. En de maatschappij maakt zich er niet druk om. Het zijn vraagstukken voor de elites. Uiteindelijk wordt alleen verantwoording afgelegd omdat een klein groepje de zaak gaande houdt: nabestaanden, sympathisanten en onderzoeksjournalisten. Een parlementaire enquête kan nuttig zijn als zuiverend moment, maar vooral als het in een vroege fase gebeurt, en niet pas jaren later.”

Behalve de politieke nasleep van de drie affaires onderzocht Klep ook de verwerking door het militaire apparaat. „Wat het zo moeilijk maakt is dat een militaire organisatie geen fouten kan toegeven. Ik vergelijk het met chirurgen en piloten – die kunnen ook niet zeggen: in negen van de tien gevallen gaat het best goed.

„De essentie van vredesoperaties is dat je een soort humanitaire belofte doet om mensen te beschermen. Dat heeft alleen zin als je bereid bent daarvoor offers te brengen. Met die belofte zijn we naar Srebrenica gegaan.

„Maar toen het onuitvoerbaar bleek, ging men zoeken naar verklaringen waarom het niet kon: de Fransen waren niet te vertrouwen, de Verenigde Naties lieten ons zitten, Mladic is een schurk... Het lag nooit aan Dutchbat zélf. Maar onze belofte waren we niet nagekomen.”

Sinds Srebrenica heeft de krijgsmacht veel gedaan om zijn beschadigde aanzien te herstellen. Dit voorjaar wordt voor het eerst in een halve eeuw weer de Militaire Willems-Orde uitgereikt. „Na alle humanitaire missies laat de landmacht zich langzamerhand weer zien als een club die vecht. En hoewel Nederland geen sterke militaire cultuur heeft, beginnen we daar aan te wennen. We horen het dagelijkse nieuws uit Afghanistan en we zijn weer blooded, zoals de Engelsen zeggen, we hebben bijna twintig doden geïncasseerd.

„De krijgsmacht is een serieuze organisatie geworden. Tot drie, vier jaar geleden kon je altijd de tegenwerping krijgen: en Srebrenica dan? Dat hoofdstuk wordt nu afgesloten. Als er kritiek komt, kan men altijd het ultieme argument gebruiken: luister, wij sterven.

„Een militair kan je weer oprecht aankijken en zeggen: we kunnen het wél. En hij kleedt zich er naar, kijk maar naar de stoere zonnebrillen, de handschoenen en de afgeknipte mouwtjes in Afghanistan. Dat zijn allemaal investeringen in de warrior culture. Het gevaar is alleen dat zo’n gevechtscultuur op den duur altijd botst met de subtiliteit en sociale vaardigheden die je nodig hebt bij humanitaire missies.”

Christ Klep: Somalië, Rwanda, Srebrenica; De nasleep van drie ontspoorde vredesmisses, uitgeverij Boom, 385 blz. Prijs: € 25,-