De tropische prinses mag tot 2011 niet meer ?de fout in?

Vier keer kreeg ze een oproep van de reclassering, vier keer reageerde ze niet. Nu dreigt de voorwaardelijke straf te worden omgezet in onvoorwaardelijk.

In elke stad heeft ze een advocaat. Eén in Utrecht, in Rotterdam, Den Haag. Voor deze zaak is die uit Amsterdam gekomen. Hij is er al, op de rechtbank in Amsterdam. De rechter is er, de officier van justitie ook. Zij laat nog even op zich wachten. Ze wordt gebeld. En nog eens. En dan arriveert ze, driekwartier later dan ze moest. Maar ze is er. En hoe. Als ze binnenkomt, steile zwarte haren, spijkerbroek en eenvoudig shirtje, lijkt iedereen even de adem in te houden.

Ze heeft het overrompelende dat nieuwe Nederlandse meisjes wel vaker hebben. Niet Nederlands, niet niet-Nederlands, maar iets ertussenin. Een tropische prinses pratend in vlekkeloos Hollands jargon. Ze is, zegt ze, weer de fout in gegaan. Maar ze denkt dat ze in de toekomst wel een positieve draai kan maken. Het maakt het lastig haar te peilen. Is haar deemoed oprecht, of weet ze precies wat iedereen wil horen?

Ze is geboren in Burkina Faso, in 1987. Ze heeft vier keer geen gehoor gegeven aan een oproep van de reclassering. De mail, de post, de telefoon. Niets heeft haar bereikt. Ze was eerder in Amsterdam veroordeeld tot veertien dagen voorwaardelijke celstraf, met als voorwaarde dat ze zich zou houden aan de aanwijzingen van de reclassering. Nu ze geen gehoor heeft gegeven, vraagt de officier de rechter om de veertiendaagse straf alsnog op te leggen.

Eerst maar eens over haar onbereikbaarheid. Ze heeft, zegt ze, op allerlei verschillende adressen gewoond. Elk adres was veiliger dan dat waar ze met haar ex woonde. Nu zit ze op een geheime locatie van stichting Arosa, een soort blijf-van-mijn-lijfhuis in de buurt van Rotterdam. Nu al ruim twee maanden. Maar een mobiele telefoon, vraagt de rechter, die draag je toch meestal op zak? Klopt, zegt het meisje. Maar ze zat tussendoor ook nog 41 dagen vast in het detentiecentrum in Zeist. Die dagen stonden nog open voor de keer dat ze ook weer de fout was ingegaan, dit keer in Den Haag. Een winkeldiefstal. Dat moet een flinke zijn geweest, voor zoveel straf. De rechter laat zich niet zo snel overtuigen. In de gevangenis, zegt ze, heb je toch ook belminuten? Als ze eventjes naar de reclassering had gebeld om te zeggen waarom ze niet reageerde, had ze nu niet voor de rechter gestaan om twee weken te incasseren.

Haar advocaat wil er ook graag een positieve draai aan geven. Hij brengt het onderwerp op haar toekomst. De stichting Arosa helpt haar een huis vinden, ze is deelnemer aan het jongerenloket: ze loopt vier dagen stage en gaat één dag naar school, in ruil daarvoor krijgt ze onderdak, eten en een kleine uitkering. Voor haar, zegt het meisje zelf, is dat een hele vooruitgang. Ze heeft geen opleiding, altijd alleen maar bijbaantjes gehad. Straks wil ze een tweejarige opleiding gaan doen in de luchtvaartdienstverlening. De rechter knippert niet-begrijpend. Stewardess, vertaalt de advocaat.

De officier van justitie vraagt hoe ze het reclasseringstoezicht vond, de keren dat de dienst er wel in slaagde haar te bereiken. Positief, zegt het meisje stellig. Toen ze het in Utrecht had, heeft het haar best wel geholpen. Ze ervaart het niet als straf, eerder als hulp.

Tegen zoveel zachtaardigheid is de officier niet opgewassen. Ze stelt voor om de proeftijd van de veertiendaagse straf te verlengen. Al ze nu tot 2011 niet meer de fout in gaat, hoeft ze niet te zitten.

Ze is ontzettend blij, zegt het meisje als ze het laatste woord krijgt. Blij ook, dat ze weer bij de reclassering mag komen. Haar advocaat heeft er blijkbaar niet alleen maar vertrouwen in. Bij de uitgang van de rechtszaal geeft hij haar zijn kaartje. Doe het in je portemonnee, dringt hij aan. Draag het bij je. Je mag me altijd bellen, waar je ook bent.