De stelling van Joost Herman: Accepteer dat humanitair hulpgeld deels wordt misbruikt

Is er nog wel ruimte voor humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking in deze tijden van crisis? Ja, zegt Joost Herman tegen Ingmar Vriesema. „Er is geen enkele reden om welke hulpstroom dan ook te bekorten.”

Onlangs ging u in debat met journalist Linda Polman, naar aanleiding van haar boek ‘de Crisiskaravaan’, een stevige kritiek op de wereld van de humanitaire hulp. Volgens u is er geen reden voor cynisme, zei u toen. Wat bedoelde u precies?

„Er is ontzettend veel kritiek op humanitaire hulp en op ontwikkelingssamenwerking. De bestede gelden zouden alleen bedoeld zijn om westerse organisaties aan de gang te houden, de resultaten zouden niet goed zijn, hulp zou een druppel zijn op de gloeiende plaat. Alle scheldwoorden zijn de afgelopen jaren wel voorbijgekomen. De kritiek heeft ook ons parlement bereikt, via de stem van Arend Jan Boekestijn, Kamerlid voor de VVD, die het officiële budget voor ontwikkelingssamenwerking wil halveren. Er zijn ook geluiden van partijen die ontwikkelingssamenwerking helemaal willen afschaffen.”

U zegt: er is geen reden voor cynisme.

„Inderdaad. Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp vormen traditioneel een onderdeel van het buitenlands beleid van Nederland. Ook maken ze deel uit van een breder palet aan internationale samenwerking, waaraan Nederland sinds 1945 enorm heeft bijgedragen, en waar Nederland ook de vruchten van plukt. Ik ontken niet dat organisaties blunders begaan. Ontwikkelingswerkers zijn net echte mensen. Maar het feit dat er negatieve voorbeelden zijn, neemt niet weg dat er goed werk wordt geleverd. En de principes waarop dat werk gefundeerd is, zijn de moeite waard om hoog te houden.”

Is er nog wel ruimte voor hulp in deze tijden van economische crisis?

„Er moet juist meer ruimte zijn voor humanitaire hulp tijdens deze crisis. Het is duidelijk dat de westerse wereld de afgelopen tijd boven zijn stand heeft geleefd. En nu lijkt dat feest te zijn afgelopen. Het is onaanvaardbaar dat we dat afwentelen op de schouders van diegenen die in de voorgaande periode helemaal niet geprofiteerd hebben van die consumptiedrift.”

Nederlanders vinden dat de overheid minder geld moet bijdragen aan de ontwikkeling van arme landen, zo blijkt uit vorige week gepubliceerde cijfers van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Mogelijk beginnen mensen te denken: ik red het liefst mijn eigen hachje.

„Dat een deel van de Nederlandse bevolking het minder goed heeft dan de gemiddelde Nederlander, wil ik niet bagatelliseren. Maar zijn er Nederlanders die moeten rondkomen van het equivalent van één dollar per dag? Waar het om gaat, is dat Nederland een enorme hoeveelheid middelen heeft. En net zoals andere landen ons te hulp schoten, bijvoorbeeld de Verenigde Staten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog, zouden wij dat ook moeten doen voor de minderbedeelden van deze tijd. Bovendien komt ontwikkelingssamenwerking uiteindelijk ook ten goede aan onze economie. En een volledige veronachtzaming van de plicht tot ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulpverlening zal ertoe leiden dat de taferelen met bootvluchtelingen naar oorden als Lampedusa zullen toenemen.”

Hoe maken we de urgentie die u nu beschrijft duidelijk aan het grote publiek?

„Dat is deels een verantwoordelijkheid van de academische gemeenschap en van de ngo’s. Die kunnen nog veel meer de resultaten van hun studies, en de concrete relatie tussen hulp en opbrengst laten zien. En we moeten politici meer op hun verantwoordelijkheid wijzen dat ze dat beeld naar buiten uitdragen. In tijden van crises leer je echte leiders kennen. Politici worden nu eenmaal gekozen en beloond om dat langetermijnperspectief overeind te houden.”

Bereik je met die boodschap een groot publiek? Mensen worden overvoerd door het grote media-aanbod, van recessienieuws tot Bananasplit.

„Ik ben zelf geen YouTube-man, maar er zijn ongetwijfeld jongere medewerkers hier op de universiteit of op de ministeries die precies weten hoe je mensen met de moderne communicatiemiddelen moet enthousiasmeren voor thema’s als humanitaire hulp. Tegelijkertijd moet je als politicus misschien ook niet de wil hebben iedereen in deze democratie te overtuigen van nut en noodzaak van armoede- en crisisbestrijding. Er zal altijd een groter percentage zijn dat zegt: ik wil niet geïnformeerd worden, ik kijk liever naar Bananasplit, en als het mij plots wat slechter gaat, geef ik iedereen de schuld behalve mijzelf. Tegen die categorie ga ik niet vechten.”

Stel, er blijft voorlopig voldoende geld naar humanitaire hulporganisaties toestromen. Dan kun je je nog steeds afvragen hoe effectief die hulp is. Neem hulp in conflictgebieden. Linda Polman beschrijft in haar boek dat hulpgelden vaak gebruikt worden door strijdende partijen, om zo hun conflicten voort te zetten. Is het systeem van humanitaire hulp eigenlijk wel op de goede weg?

„Vanuit mijn professionele inschatting doen we het onder de omstandigheden goed in het vanuit de westerse geciviliseerde wereld proberen te helpen nood te lenigen daar waar nodig is.”

Dat klinkt wel héél voorzichtig.

„Je moet voorzichtig zijn om critici je niet te laten beschuldigen van luchtfietserij. Zo van: ‘daar heb je weer zo’n figuur die alleen maar zegt: alles gaat prima’.”

Wat gaat er fout?

„Het sturen van bontmutsen naar tsunamislachtoffers in een temperatuur van 40 graden boven nul, bijvoorbeeld. Of het dumpen van medicijnen, zonder dat we weten of ze überhaupt nodig zijn, of misschien zelfs schadelijk, gezien hun uiterste houdbaarheidsdatum. Een ander voorbeeld is dat bij hongersnoden, zoals in Mali en Malawi, soms de verkeerde voedselhulp werd gegeven. Te calorierijk voedsel waardoor men ziek werd en weer moest worden behandeld. Verder zorgt de kolossale instroom van hulpgoederen vaak voor een verstoring van de lokale markt. Dat heeft op de lange termijn vaak een deregulerende, wat zeg ik, verwoestende werking. Lokale voedselproducenten worden uit de markt geduwd. En als dan de hulpverleningskaravaan is vertrokken, moet men weer de hand ophouden.”

En dus zeggen sommigen: die hulp heeft helemaal geen zin.

„Hulp heeft juist heel veel zin. Zolang wij maar zien dat hulp zich beweegt in een continuüm, van noodhulp via wederopbouw naar duurzame ontwikkeling. Het heeft allemaal met elkaar te maken. Ontwikkeling is nu eenmaal een proces van de lange termijn. Als burger moet je accepteren dat je niet een causaal lineair verband kunt leggen tussen jouw ingelegde euro en een baksteen voor een schooltje in Sri Lanka. Zo werkt het helaas niet.”

Donateurs willen nu eenmaal resultaat zien.

„Dat resultaat is er. Met noodhulp kunnen we wel degelijk mensen helpen in regio’s als Darfur. En we moeten nu eenmaal accepteren dat er regelmatig een deel van het hulpgeld misbruikt wordt, door lokale krijgsheren en door de Soedanese regering.”

Is hulp nog wel gerechtvaardigd als het ertoe leidt dat een oorlog er langer door duurt?

„Dat is de discussie die Polman aanzwengelt. Vanuit het humanitaire imperatief, vanwege menslievendheid, wil je de nood lenigen van de medemens. Maar wat als je weet dat jouw hulp wordt gemanipuleerd? Daar heeft Polman een heel sterk punt. En onderzoeker Mary B. Anderson heeft er in haar boek Do no harm gedeeltelijk een antwoord op gegeven. Zij zegt: humanitaire hulpverleners en ontwikkelingswerkers moeten zich realiseren dat ‘goed doen’ vaak niet mogelijk is. Je moet ervoor zorgen dat je zo min mogelijk schade toebrengt. Hulpverleners moeten er dus op gespitst zijn de negatieve spin-off zo beperkt mogelijk te houden.”

Hoe?

„In falende staten, zoals Somalië, zul je moeten onderhandelen met de lokale machthebbers. En zul je dus als hulpverlener een afweging moeten maken. Laat ik morgen honderdduizend mensen zonder drinkwater zitten, of probeer ik de prijs die ik moet betalen om toegang te krijgen tot het gebied zo laag mogelijk te houden? Dat is een spel. En daarnaast moet het spel gespeeld worden op regeringsniveau. Zolang de internationale samenleving niet geordend is zoals op ons nationale niveau, met bijvoorbeeld een trias politica en een effectieve juridische macht, ben je overgeleverd aan het krachtenspel van de internationale gemeenschap. En daar geldt nog steeds heel vaak: more might than right.”

En dan kan humanitaire hulp dus averechts werken.

„Maar dat is niet de schuld van de humanitaire hulpverleners. Tijdens de genocide in Rwanda zaten in de vluchtelingenkampen in het Oost-Congolese Goma honderdduizenden zielige Hutu’s. Maar een deel van hen bleek helemáál niet zo zielig, maar juist lid te zijn van de Hutumilities die daarvoor Tutsi’s hadden afgemaakt. Dat is het bekende voorbeeld van in den blinde gegeven hulp, waarbij de Hutumilities zich konden hergroeperen in Oost-Congo, en vervolgens weer terug konden gaan naar Rwanda om hun afschuwelijke werk voort te zetten. Maar de hulpverleners hebben niet voor die situatie gezorgd. Door te zeggen: de humanitaire hulp is daar verantwoordelijk voor, drijf je mensen inderdaad in de armen van het cynisme.”

Dat gaat te ver?

„Als de internationale politieke gemeenschap niet bereid is om ervoor te zorgen dat humanitaire activiteiten genoeg worden beschermd, geef dan de politici de schuld, niet de humanitaire hulpverlening. Het is dan uiteindelijk het falen van het politieke systeem om voldoende eendrachtig te zijn om tegen Tsjaad te zeggen: stop, wat jullie in Oost-Tsjaad doen klopt van geen kanten. Als jullie daarmee doorgaan, volgen strafmaatregelen.”

Wat is uw boodschap aan de Nederlandse politiek, in deze tijd van crisis?

„Dat ze vooral hun werk moeten doen, maar dat er geen enkele reden is om welke hulpstroom dan ook te gaan bekorten omdat het geld hier zoveel nodiger zou zijn. Dat snijdt totaal geen hout.”

En uw boodschap aan de cynische burger?

„Die moet bij zichzelf te rade gaan wat het hem heeft opgeleverd in Nederland te wonen. De geneugten die wij proeven hebben wij uiteindelijk alleen te danken aan externe interventie, zoals het Marshallplan na de oorlog. En als de cynische burger dat eerlijk doet, zal hij zich realiseren dat onze medemens die in minder gelukkige omstandigheden leeft, automatisch soortgelijke rechten heeft. Niemand zegt dat morgen voor iedereen het paradijs op aarde komt. Maar er zijn bergen met hoop. En dat bedoel ik niet zweverig. Want Nederland speelt als kleiner land een enorme rol op het internationale toneel van ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp.”