Crisis als beslissende keuze

De financiële en economische ontreddering die de kredietcrisis heeft veroorzaakt, biedt geen aangenaam schouwspel. Beleggingen zijn verdampt, pensioenuitkeringen staan op de tocht, huizenprijzen dreigen te kelderen en er schijnt 10 procent werkloosheid aan te komen. Eén op de tien of twintig banen zal dus verdwijnen, en is dat die van u of van uw buurman?

Maar nog treuriger makend dan de economische feiten zijn de reacties van de meeste betrokkenen. Dan heb ik het deze keer niet over bankiers die wel of niet bereid zijn het boetekleed aan te trekken voor hun gedrag van de afgelopen tien à vijftien jaar en wat ze daarmee hebben aangericht. Het gaat me om de toneelstukjes die links en rechts worden opgevoerd van drenkelingen en redders, slachtoffers en zedenmeesters. De thema’s zijn vrijwel steevast hebzucht en afgunst, verongelijktheid en wraakzucht, afhankelijkheid en betutteling.

En vooral nieuwe en oude hoogmoed. Bankiers zijn inhalige schurken en de schuld van alles. Spaarders, beleggers en pensioengerechtigden zijn bedrogen slachtoffers, en ministers van Financiën hijsen zich graag als leveranciers van reddingsoperaties in hun gloednieuwe Batmanpakken.

Wat er zo treurig is aan deze theatermakerij, is dat er geen rol is weggelegd voor de nuchtere aanpakker die de feiten overziet voor wat ze zijn, vaststelt wat hij zelf kan doen en aan de slag gaat. Dat is de rol van de Noorse prins Fortinbras, de veroveraar in het laatste bedrijf van Shakespeares Hamlet. Hij smijt de deuren open, koude lucht stroomt binnen in de verstikkend introverte hofsfeer van aarzelen, dralen en intriges, en van ijle mijmeringen over to be or not to be terwijl er buiten een invasie aan de gang is. Genoeg gekermd, de lijken opruimen en aan de slag!

Voorlopig verkeren wij nog even in de kermfase. De enorme kredietexpansie van de laatste twintig jaar heeft ons een lang verblijf in luilekkerland bezorgd. We werden opgetild door een wereldwijde, kredietgedreven koopkrachtgolf, die grondstoffen, woningen, kunst, aandelen en nog veel meer in prijs opstuwde en iedereen rijk maakte die er iets mee te maken had. Wij vonden intussen dat het ons zo goed ging doordat we zelf zo slim en sterk waren, en beschouwden onze toegenomen welvaart als eerlijk verdiend.

Nu het krediet opdroogt, de koopkrachtgolf zich terugtrekt en de waarde van onze huizen, effecten en andere bezittingen met zich mee sleurt, roepen wij bedrog en diefstal. Als het naar ons toekomt, is het kennelijk in orde, als het bij ons wegloopt mogen we mokken, smeken en stampvoeten. IJslandspaarders eisen overheidsgaranties achteraf. Pensioenfondsen tappen de reserves van jongeren af omdat die nog niet zo opletten en de aanspraken van ouderen niet gekort mogen worden. En vooral moet de overheid links en rechts ‘redden’. Die doet dat graag, niet alleen omdat het misschien economisch zinvol is maar ook omdat het een soort revanche oplevert op de hoogmoed van gevallen voormalige veelverdieners. Bankiers behoren dan ook sorry te zeggen, vindt minister Bos, want „uiteindelijk is de financiële crisis een morele crisis.”

Daar zit best wat in, maar morele problemen worden niet opgelost door opgelegde spijtbetuigingen. Integendeel, want Bos zet op deze manier voor de oude, materiële arrogantie van de bankiers alleen maar zijn eigen morele superioriteit in de plaats. En zo zitten we met zijn allen op de vierkante centimeter psychologische spelletjes te spelen over wie er gekwetst is en wie zijn schuld dat is. Moraliteit en ethiek verklaren we tot een kwestie van innerlijke roerselen en motivatie, en intussen komen we aan praktisch handelen niet toe.

Alleen de alleroudsten onder ons, degenen die in 1940 een jaar of twintig waren, hebben ooit in hun leven een echte collectieve crisis meegemaakt. Een crisis die vragen heel concreet maakte, want wat deed je als er iemand bij je op de stoep stond die bij jou wilde onderduiken? Dan kon je niet doorverwijzen naar een belangenkoepel voor onderduikadressen, maar je stond er zelf voor, persoonlijk.

In dit soort situaties komt het woord ‘crisis’ terug bij zijn oer-betekenis. Crisis is niet hetzelfde als rampspoed; crisis is een scheiding, een splitsing in de weg, een beslissende keuze. Niet toevallig zijn het ook de oorspronkelijke vier klassieke deugden die in zulke keuzes houvast bieden. Want hoe zit het met rechtvaardigheid jegens degene die voor je staat? Met realiteitszin over de context van je besluit? Met maat houden, niet te veel en niet te weinig doen? En vooral, hoe zit het met moed, de ouderwetse bereidheid om een gegeven situatie onder ogen te zien, de rug te rechten en te doen wat er gedaan moet worden?

Wat is er in vredesnaam gebeurd met moed? Hoe zou het in 1940 zijn gegaan als Winston Churchill, in plaats van zijn vlammende vastberadenheid „to fight them on the beaches”, had gemompeld dat Hitler sorry moest zeggen? Of in onze eigen geschiedenis, wat was er gebeurd als Willem van Oranje niet had gehandeld naar de aan hem toegeschreven lijfspreuk „point n’est besoin d’espérer pour entreprendre, ni de réussir pour persévérer”? Vertaald: hoop op een goede afloop is niet nodig is om aan te vatten, en succes niet om door te gaan. Moed maakt zich niet afhankelijk van wat een ander vindt of doet, is genadeloos eerlijk over de feiten, en staat zichzelf geen uitvluchten toe.

We zitten financieel en economisch op een plek waar we niet hadden willen zijn. Niemand heeft dit eerder meegemaakt. Geen enkele deskundige weet echt hoe we eruit moeten komen, want ook niemand heeft voorspeld dat we bezig waren hier verzeild te raken. Dus op ons komt het aan, op onze eigen oordeel, moraal, en moed.

Minister Bos heeft gelijk, we maken een morele crisis mee. Alleen gaat die niet over anderen en of die wel of niet sorry zeggen. Ons eigen kaliber wordt beproefd, we staan zelf op een morele splitsing van wegen. Blijven we bij de verlammende introspectie van Hamlet, of gooien we de deuren open en gaan we aan de slag?

To be or not to be is NOT the question. To act or not to act, dat is waar het om gaat.