Chinezen vertrouwen voortaan op zichzelf... ...en niet meer op de partijbazen

In China zijn miljoenen arbeidsmigranten overbodig geworden. Voorgoed. De hoge groeicijfers zijn verleden tijd. Niet het Westen, maar alleen de eigen markt biedt soelaas voor de crisis.

Zhiang Jiajun laat zijn stem zakken en kijkt peilend rond in het witbetegelde eethuisje Oude Luo’s Heerlijke Keuken in Nanchong.

„Weet je”, onderbreekt hij fluisterend zijn verhaal over zijn leven als afgedankte arbeidsmigrant in de verre Parelrivierdelta, „de partijsecretaris hier is eigenlijk maar een domme boer die nog nooit iets van de wereld heeft gezien zoals wij. Er is crisis in China, de exportsector en de handel storten in, maar wat weet zo’n partijman nou van economie, van bedrijven en risico’s nemen? Wat doet hij voor ons? Niets.”

Aanleiding voor de bitter klinkende tirade is de Chang Ye Jie, de Ondernemersstraat in dit stadje in Sichuan, 400 kilometer ten oosten van Chengdu. Hier, zo hebben de autoriteiten beslist, mogen door de mondiale crisis werkloos geraakte arbeiders, de nongminggong, hun eigen bedrijfjes beginnen. Er zijn in de westelijk en centraal gelegen Chinese provincies, die op het ogenblik geconfronteerd worden met honderdduizenden terugkerende arbeidsmigranten, talloze van dergelijke initiatieven ondernomen.

Twee etmalen later, op een voor de eters in Oude Luo andere planeet – het Portman Ritz Carlton in Shanghai – geeft econoom Andy Xie (48) Zhiang Jiajun gelijk. „Onze leiders lijken verdoofd, shell-shocked door het aanhoudend slechte economische nieuws en de bezorgdheid over sociale onrust, omdat meer dan 35 miljoen arbeidsmigranten en afgestudeerden op zoek zijn naar werk. Wat er op het ogenblik gebeurt door de ineenstorting van de wereldhandel is voor China een historisch keerpunt. Dit is het einde van het Chinese model, een cesuur met enorme gevolgen voor China en zijn rol in de wereld.”

Xie is een fenomeen onder Chinese economen: eigenwijs, tegendraads en bepaald niet bang zijn mond open te doen. Hij voorspelde de crisis al in april 2007 (en ook de ineenstorting van de mondiale olieprijzen) en wordt daarom de Doctor Doom van Azië, de Chinese professor Nouriel Roubini genoemd.

Op luide toon – alle gasten in de Starbucks van het hotel kunnen meeluisteren – zegt hij: „Deze crisis is de zwaarste test voor de autoriteiten en voor de communistische partij sinds de Tiananmencrisis van 1989.”

In de Chinese hoofdstad arriveren met dat besef vanaf komende dinsdag alle nationale, provinciale en lokale partijleiders om zich in het Nationale Volkscongres te beraden op de economische neergang.

Met een gemanicuurde, roodgelakte nagel ritst hij het folie van een pakje Yuxi-sigaretten open en zegt snuivend: „Er wordt geld gesmeten naar totaal nutteloze statusprojecten, waarmee de bazen goede sier kunnen maken bij hun provinciale bazen in Chengdu. Maar we hebben al genoeg eethuizen, witgoedwinkels, tv-reparateurs, bezorgers, kappers, naaiateliers, massagesalons en taxichauffeurs. Wat wij nodig hebben, zijn nieuwe afzetmarkten in China, geen nieuwe koks.’’

Alle panden in de stoffige, steile Ondernemersstraat zijn nog dicht of worden gebruikt als woonruimte, getuige het paarse en witte ondergoed dat overal hangt te drogen, de kookvuren en spelende kinderen op de stoepen.

Dat verbaast Xie niet: „Ik heb de indruk dat men zich drukker maakt over sociale onvrede onder de miljoenen nieuwe werklozen dan over echte oplossingen. Men is superbang en verdeeld, er wordt niet out-of-the-box gedacht. Het stimuleringsplan van 450 miljard euro is te bescheiden en te traditioneel. China denkt deze crisis te kunnen afkopen, dat zal niet lukken, althans niet op deze manier. Er worden nu structurele zwakheden in onze economie en in ons systeem blootgelegd die beslist gerepareerd moeten worden. De werkloosheid is een tikkende tijdbom en ik voorzie een grote politieke crisis, want de tijd van enorme groei is voorbij. Dat is misschien wel goed, want zonder een politieke crisis geen structurele hervormingen.”

Nadat eerst de Amerikaanse en vervolgens de hele Westerse vraag naar bijna nul daalde in dit kwartaal, hapert nu ook de Chinese motor. China is bezig aan een harde landing. Alle indicatoren – nieuwe orders, nieuwe exportorders, productie, prijzen, import, buitenlandse investeringen – wijzen op een hele scherpe daling van de groei.

Xies definitie van een harde landing is economische groei van 6 procent en minder. „Alles onder de 6 procent groei is niet voldoende om banen te creëren voor 28 miljoen werkloze arbeidsmigranten – dat worden er dit jaar hoogstwaarschijnlijk 35 tot 40 miljoen –, voor de 7,5 miljoen afgestudeerden en voor de nog eens 21 miljoen jongeren die van het platteland naar de stad trekken als zij van school komen. Ik denk dat de Chinese economie op dit ogenblik in recessie is, wat de officiële statistieken ook zeggen. U kent de grap: je hebt leugens, verdomde leugens en Chinese statistieken.”

Xie heeft de reputatie ‘wild’ te zijn, nadat hij bij Morgan Stanley werd ontslagen omdat hij Singapore een grote façade noemde van Indonesisch en Chinees corruptiegeld. Maar de feiten zijn onontkoombaar. Alleen al in de Parelrivierdelta zijn inmiddels 140.000 van de 700.000 fabrieken van textiel, speelgoed en nu ook elektronica gesloten.

Xie vertelt net gehoord te hebben dat het Taiwanese Hon Hai, de makers van alle iPods, Nintendo’s en Microsoftspelletjes, 160.000 van de 260.000 werknemers zal ontslaan. De fabriek van het Taiwanese Hon Hai bij Shenzhen tegenover Hongkong is zo groot als een Nederlandse stad en wordt waarschijnlijk naar Vietnam verplaatst, Nike achterna.

Het aantal nieuwe werklozen dat nu rondtrekt van rivierdelta naar rivierdelta en van stad naar stad om nieuw werk te zoeken, is onvoorstelbaar groot. Zij zijn op bus- en treinstations makkelijk herkenbaar aan de zware, overmaatse koffers, de blauwgeruite plastic tassen met levensmiddelen, bestofte kleren, geurende lichamen en vooral aan de vermoeide gezichtsuitdrukkingen.

Ze reizen banenmarkten af, zoals in Chengdu, waar op de pleinen van overheidsgebouwen duizenden mannen en vrouwen zich aanbieden als kok of schoonmaakster, gehurkt achter wervende teksten op grote vellen papier met daarop ‘ik ben goed in vissen vangen, maar ik kan ook gebouwen bewaken’.

In Oude Luo schenkt Zhiang Jiajun de glazen van zijn gasten en zichzelf nog eens vol met beijiu gaoling, een theekleurige likeur uit de stokerij van zijn broer. De binnenwaaiende wind begint al naar de zomer te ruiken, constateert hij. Buiten klossen boeren met mutsen van zwart astrakan en bouwvakkers in gewatteerde legerjassen voorbij, op weg naar huis. Zhiang Jiajun zwaait naar flanerende meisjes en vrouwen, onder wie een nichtje en een tante. „Zij zijn ook weer teruggekeerd, want er is in Dongguan en Shenzhen geen werk meer voor hen”, legt hij uit.

Alleen al aan hun kleding – superstrakke spijkerbroeken met glitters, hoge, paarse hakken en make-up – is te zien dat zij arbeidsmigranten zijn. De vrouwen van Nanchong kleden zich doorgaans traditioneler en geven hun geld niet uit aan luxueuze kleurtjes en geurtjes. De fabrieksmeisjes met vlugge, handige vingers, vervelen zich stierlijk in het eentonige, betongrijze Nanchong.

„Ik was 25 jaar geleden een van de eersten die werden aangenomen door de Hongkongse textielbazen. Dongguan was nog een vissersdorp met een industrieterrein”, zegt Zhiang Jiajun, trots over zijn boeddharonde buik wrijvend.

Ontelbare hardloopschoenen en trainingspakken van Nike, Puma en Adidas passeerden zijn handen. Wennen aan het gescheiden leven van zijn vrouw en twee kinderen deed hij nooit, maar alles was beter dan de bewerking van de paar are rijstvelden in de heuvels van Nanchong.

Zielig was hij niet en al evenmin alleen, want 30.000 stadsgenoten trokken ook naar de fabrieken aan de monding van de Parelrivierdelta met zijn natuurlijke diepzeehavens. Ambitieuze, avontuurlijke types die droomden van rijk worden en wilden ontsnappen aan de armoede. Niet voor niets liet hij het Chinese karakter voor ‘rijk’ in blauwe en rode inkt op zijn bovenarm tatoeëren.

Hij spaarde, kocht in zijn geboortestad zelfs drie huizen, betaalde de onvermijdelijke boete voor het tweede kind in één keer af en stichtte twee jaar geleden in Shenzhen samen met zijn broers zijn eigen textiel- elektronicabedrijf met uiteindelijk tachtig man personeel. „Iedere Chinees wil eigenlijk eigen baas zijn. Ik heb al die jaren heel veel geleerd van de Taiwanese en Hongkongse bazen en alles ging goed tot begin deze maand. We kregen opeens geen orders meer, helemaal niets. De rivier viel droog, zeggen wij. Het was vorig jaar als dansen met hand- en voetboeien om. Toen de orders uit Japan, Zuid-Korea en Taiwan wegvielen, wist ik dat het gebeurd was met mijn droom”, schampert hij boos.

Vlak voor het Chinese Lentefestival op 25 januari heeft hij zijn fabriek gesloten. Nu zit hij thuis op een krukje op de stoep, waar hij de dag doorbrengt met eindeloos mahjongen, kaarten, roken, zuipen en piekerig staren naar de aandelenkoersen op de beurzen van Shanghai en Shenzhen op zijn oude Philips-tv. Hij denkt erover om naar Vietnam of Afrika te gaan. „Ach wat, daar in Afrika en Vietnam moeten ze ons ook niet”, zegt hij met een wegwerpend armgebaar.

Hoe moeilijk het is voor de miljoenen nieuwe werklozen om een baan te vinden, ontdekte een van Zhiang Jiajuns beste vrienden. De goedmoedig ogende Peng Xingtian (36) is ook een arbeidsmigrant van het eerste uur. Op zijn zestiende reisde hij naar Shanghai om te gaan werken bij Baosteel, inmiddels een van de grootste staalconcerns ter wereld.

Peng Xingtian leerde daar lezen, schrijven en haalde elk denkbaar diploma en werd autogeen meesterlasser. Zeecontainers, hogedruktanks, hijskranen rolden tot de zomer van 2008 in groten getale uit de Baosteelfabriek, waar hij twintig jaar lang werkte en goed verdiende. Hij en 20.000 collega’s hoeven voorlopig niet meer terug te komen, want de vraag naar zeecontainers en opslagtanks is ingestort.

In Shanghai mocht hij niet langer blijven, want zijn hukou – het het oude maoïstische registratiesysteem – is in Nanchong en niet in Shanghai. Op papier is hij overigens nog niet werkloos, want staatsbedrijven hebben van de partij het „advies” gekregen niemand te ontslaan, maar in de praktijk is hij dat wel. Van 4.500 yuan (529 euro) per maand is zijn inkomen geslonken naar 960 yuan (112 euro).

„Ik heb nu gesolliciteerd als lasser bij het bedrijf dat 731 kilometer rails zal aanleggen van Chengdu in Sichuan naar Lanzhou in Gansu. Er waren 300 vacatures en 30.000 kandidaten”, vertelt Peng Xingtian op monotone toon. Dat hij, houder van vier lasdiploma’s, werd afgewezen, was een schok en een belediging: „Ik ben te oud, ik ben te duur geworden, want ik wil toch ten minste 3.000 yuan (352 euro) per maand verdienen. Ze betalen bij het spoor maximaal 1.200 yuan (141 euro).”

Hij heeft nu een tijdelijke baan als instructeur aangenomen bij een trainingscentrum van de partijafdeling in Nanchong, een van de zogeheten ‘Zonneschijn’-initiatieven om arbeidsmigranten te herscholen. Peng leert nu dorpsjongens elektrisch lassen. Zij zijn straks zijn goedkope concurrenten op de krimpende arbeidsmarkt, want zij nemen wel genoegen met lonen van hooguit 120 euro per maand.

Aan het slot van een lange, Sichuanse lunch met twaalf gerechten zegt werkloos ondernemer Zhiang Jiajun dat er voor hem en voor China maar één uitweg is uit deze crisis: „Er moet een markt komen voor mijn producten, want zonder orders begin ik niets. Als er morgen orders zijn, draait mijn fabriek overmorgen op volle toeren. Daar moeten de bazen mij mee helpen, net zoals Chinese ambassades onze staatsbedrijven in het buitenland steunen.”

Daar is Andy Xie, die in 2006 door Hongkongse beleggers werd uitgeroepen tot de beste econoom van Azië, het volkomen mee eens. Hij bestelt een nieuwe Cafe Latte, voor een prijs waar je in Oude Luo van kan ontbijten, lunchen en dineren: „Het Chinese stimuleringsplan levert niet genoeg nieuwe banen op. De aanleg van spoorwegen en vliegvelden is tegenwoordig een hoogtechnologische zaak. Bovendien, hoeveel nieuwe luchthavens en autobanen heeft China nog nodig? Het Chinese netwerk aan snelwegen kan de vergelijking met de VS en Europa intussen makkelijk aan. Deze crisis vergt onorthodox denken.”

Xie: „De enige uitweg voor China is de schepping van een grote binnenlandse markt, want Amerika en Europa gaan ons niet redden, ook niet als de westerse economieën zich herstellen. En wachten op een Amerikaanse wederopstanding is zinloos, er dreigt daar een tweede huizencrisis en over een paar jaar verwacht ik een crisis op de Amerikaanse obligatiemarkt.”

Maar een groot deel van China’s bevolking – 750 miljoen van de 1,3 miljard mensen – is nog arm tot zeer arm. „Klopt, maar de staat is zeer rijk. Voilà, dat moet dus worden veranderd”, zegt Xie. De rijkdom moet volgens hem worden overgeheveld van de staat naar de bevolking. „Wat er nu gebeurt, is het tegenovergestelde: men wil de belastingheffing verbeteren, de beurs van Shanghai krijgt injecties, simpele, kleine beleggers worden daardoor getild, en staatsbedrijven proberen met gehypete beursgangen mensen nog meer geld af te troggelen.”

Hij pleit voor grootschalige privatisering van de staatsbedrijven, het vrij laten zweven van de yuan binnen vijf jaar, en hij wil dat grote steden als Shanghai het recht krijgen obligaties uit te geven. Op die manieren kunnen miljarden euro’s van de staat naar het volk worden overgeheveld, kunnen er 30 nieuwe megasteden met elk 20 miljoen inwoners worden gebouwd. Grootschalige urbanisatie en industrialisatie van het platteland zijn volgens hem noodzakelijk om een van het Westen onafhankelijke Chinese economie op te bouwen. „We hebben tenslotte veel te weinig agrarisch land voor 750 miljoen arme boeren. Megasteden die groei genereren zijn het antwoord.”

Deze aanpak, die snel aan aanhang wint in Peking, vergt duizenden miljarden euro’s, weet hij. Maar dat is geen probleem als China de buitenlandse deviezen – de schattingen lopen uiteen van 1.900 miljard dollar tot 2.300 miljard dollar – in China zelf investeert en niet in Amerikaanse staatsobligaties en schatkistpapier. „Waarom moet een arm land als China met tientallen miljoenen werklozen een van de rijkste landen ter wereld financieren? Waarom steken wij ons geld in een economie en in een munt die aan het instorten is? De verhoudingen tussen de VS en China moeten fundamenteel veranderen”, zegt Xie malicieus grijnzend.

Hij weet hoe nerveus de financiële autoriteiten in de VS van dit soort uitspraken worden, want deze ideeën over de besteding van de buitenlandse deviezen winnen terrein in de Chinese media, onder de bevolking, op de ministeries en bij de denktanks van de overheid in Peking. Het dilemma is natuurlijk dat als China dat zou doen, ook de Chinese dollarbeleggingen in waarde zouden kelderen. Het zij zo, zegt Xie, doorgaan op de oude weg is niet langer mogelijk.

„Als we onze rijkdommen gebruiken om de Chinese economie fundamenteel te hervormen en minder afhankelijk te maken van de export, is voor China de sky the limit. China heeft de potentie om dan in twee decennia de grootste economie van de wereld te worden, een centrum van globalisering en een spons voor internationaal kapitaal. China moet zo veel als mogelijk onafhankelijk worden van de westerse vraag. Dat is volgens mij de belangrijkste les van deze crisis. Dat vergt politieke en kapitaalmarkthervormingen, zoals een vrije munt en een grote private sector. Onze leiders zijn nog niet zo ver, zij zijn bang de greep op de economie te verliezen. Maar het is onvermijdelijk”, redeneert Xie, die later op de avond deze uitspraken herhaalt op de Shanghaise tv.

Voor werkzoekenden als Zhiang Jiajun en Peng Xingtian komen dat soort hervormingen, als zij al doorgevoerd worden, te laat. De eerste en tweede generaties arbeidsmigranten, de gevorderde dertigers en veertigers, worden afdankt. Maar dat beseffen de meesten nog niet, want bij de bushalte om de hoek van de Ondernemersstraat in het centrum van Nanchong hebben zich, zoals elke avond, lange rijen gevormd van zwaar bepakte mannen en vrouwen.

Zij stappen straks in dezelfde bus die anderen juist heeft teruggebracht uit het oosten. Toch gaan zij het weer proberen in het verre Dongguan, de ‘Speelgoedpoppenstad van de wereld’, waar zich in buurten als Zhangmutou en Chenzhongcun kampementen van werkloze, wachtende arbeiders hebben gevormd. In restanten van oude boerendorpen, die liggen ingeklemd tussen de fabrieken, wonen daar arbeidsmigranten die niet terug kunnen naar hun provincies omdat ze geen land of huis hebben. De haveloze, vettige hokken langs goten met stilstaand afvalwater vormen hun eindstation. Verlies van werk in fabrieken betekent ook verlies van verblijfsstatus, van pensioen, verzekering en scholing voor de kinderen.

Zhiang Jiajun en Peng Xingtian vertellen dat zij hun kinderen nu al voorbereiden op het moment dat zij in de bus naar het oosten zullen stappen. Als het aan de vaders ligt niet naar de slavenbanen in de fabrieken van Hon Hai of de Nike-leveranciers, maar naar Chinese telecomgiganten als Huawei en ZTE of auto- en batterijmaker BYD (Build Your Dream). Zij maken daar alleen een kans als zij goed zijn opgeleid. Zhiang Jiajun heeft BYD met zijn gigantische, goed geventileerde productiehallen zien komen. BYD staat op het voormalige terrein van een textielfabriek uit Hongkong en produceert de eerste elektrische auto’s in China.

Het zijn deze nieuwe, technologische hoogwaardige ondernemingen die de arbeid- en verzekeringswetten als regel respecteren en de jongste generatie arbeidsmigranten beter behandelen dan in de oude industrieën het geval is. Volgens econoom Xie is „het essentieel voor deze ondernemingen dat er een grote, koopkrachtige Chinese middenklasse en een Chinese interne markt ontstaat, want het buitenland zal die auto’s niet kopen.”

Zhiang Jiajun hoopt dus dat zijn zoon ooit bij BYD of Huawei als ingenieur, als afgestudeerde arbeidsmigrant van een nieuwe generatie, werk zal vinden. „Ik zal alles doen om hem naar de universiteit te krijgen en in zo’n fabriek aan een baan te helpen”, vertelt hij. Om daar pragmatisch, en geheel conform Chinese traditie, breed lachend aan toe te voegen: „Het is ook een investering. Hij zal als een goede zoon straks voor mij en mijn vrouw moeten zorgen. Daar reken ik op en niet op de partijbazen.”