Anti-protectionismetop legt verdeeldheid bloot

Een nieuwe top van Europese leiders, zondag in Brussel, kan verdeeldheid over de aanpak van de crisis niet verhullen. Terwijl Europese coördinatie juist nu hard nodig is.

Morgen houden de regeringsleiders van de 27 lidstaten van de Europese Unie een lunch in Brussel. Ze bespreken de economische crisis, en hoe ze die te lijf kunnen. Belangrijkste gespreksthema’s? Dat hangt af van de persoon aan wie je het vraagt.

De organisator van deze zoveelste top is Tsjechië. Dat heeft net het EU-voorzitterschap van Frankrijk overgenomen. De Tsjechische premier Mirek Topolanek is, anders dan de Franse president Nicolas Sarkozy, allergisch voor toppen. Die creëren volgens hem meer verwachtingen dan leiders kunnen waarmaken en leiden vanwege hun Bühne-gehalte af van het echte werk. De reden dat er tóch een top komt – voor de traditionele economische voorjaarstop op 19 en 20 maart – is rechtstreeks terug te voeren op Sarkozy. Die wilde begin februari het Tsjechische „gebrek aan leiderschap” aangrijpen om een top van eurolanden te organiseren – waar Tsjechië niet bij hoort. Getipt door de Duitse bondskanselier, die mordicus tegen eurotoppen is, kondigde Topolanek gauw een top voor 27 landen aan vóór Sarkozy zijn zin kon doordrijven.

Toen Sarkozy Franse autofabrikanten vervolgens miljarden beloofde, mits zij hun productie niet naar landen als Tsjechië verplaatsten – Topolanek was furieus – kreeg deze bijeenkomst het label ‘anti-protectionismetop’. EU-leiders zouden beloven de regels van de interne markt te respecteren.

Maar zoals de Duitse ex-minister Joschka Fischer woensdag tegen de BBC zei: „Deze crisis is zo hevig en verbreidt zich zo snel, dat ze met ons op de loop gaat als wij geen Europees leiderschap hebben.” In zijn ogen zoeken 27 landen nu dat leiderschap.

Sinds deze lunchtop werd bedacht, heeft de recessie keihard toegeslagen in Oost-Europa. Begrotingstekorten lopen overal op. Griekenland en Ierland kunnen de snel stijgende rentes op staatsobligaties nauwelijks meer betalen. Moeten er nieuwe hulpmechanismen komen voor Oost-Europa, bovenop de bestaande miljardenprogramma’s? Moeten er noodleningen van eurolanden naar Griekenland? Moeten er ‘eurozone-obligaties’ komen, waardoor de rentes voor de Grieken dalen (maar voor Duitsland stijgen)?

Daarbij willen nóg vijf landen intussen autofabrikanten steunen. Kan dat zonder de buitenlandse concurrentie die géén staatssteun krijgt, te schaden? Binnenkort blijkt ook welke banken overleven en welke niet. Eerst moeten regeringen banken helpen of dwingen ‘rommelkredieten’ op te ruimen. Maar als regering A die activa voor meer geld opkoopt dan regering B, krijgen banken in land A oneerlijke concurrentievoorsprong. Ook dit vraagt acuut om Europese coördinatie.

Deze dilemma’s dienen zich zó snel aan, dat het zelfs experts duizelt. Elk land speelt supersimultaan op meer Brusselse schaakborden dan ooit. Dat de Europese eensgezindheid ver te zoeken is, is verklaarbaar.

Zo wil Polen de top gebruiken om meer hulp uit West-Europa te krijgen (bovenop de bijna 25 miljard die EBRD, Europese Investeringsbank en Wereldbank de Oost-Europese banken gisteren toezegden) en de uitgifte van eurobonds te blokkeren. Vóór de lunch gaan alle Oost-Europeanen dus in de Poolse ambassade in conclaaf.

Tsjechië zit daarbij, maar met tegenzin. Topolanek ergert zich aan het cliché over het „zwarte gat in Oost-Europa”. Hongarije en Polen zijn er immers erger aan toe. Tsjechië wil, als EU-voorzitter, eenheid smeden. En ieders loyaliteit afdwingen aan de Europese interne-marktregels die door de Europese Commissie worden bewaakt. De Poolse suggestie over een dreigende tweedeling Oost-West kan Tsjechië missen.

De Commissie heeft al diverse voorstellen gedaan voor een gezamenlijke aanpak. Ook in de coördinatie van een Europees standpunt voor de G20-top in april in Londen – over een nieuwe mondiale architectuur – speelt ze een rol. Omdat daar alleen enige grote landen naartoe gaan (en Nederland) rijst bij kleinere landen verzet. De Finse minister Stubb noemt het „kliekvorming”. Zijn Luxemburgse collega sprak over „die nieuwe mentaliteit waarbij grote landen besluiten en kleintjes volgen”.

De Britten, die de volgende G20-bijeenkomst organiseren, zullen morgen uitleggen wat er in Berlijn (niet) is voorgevallen. Dat Duitsland en Frankrijk de mondiale financiële architectuur ingrijpend willen veranderen en Groot-Brittannië absoluut niet, is maar één van de vele breuklijnen die deze lunch moet zien te maskeren.