Zet strepen op 't behang

Ester Naomi Perquin: Namens de ander. Van Oorschot, 46 blz. € 14,50

De demonie van alledag. Zo is de thematiek van het dichtwerk van Ester Naomi Perquin te typeren. Niets is zeker in het alledaags bestaan, en ook over onszelf kunnen we slechts onzeker zijn. In haar tweede bundel met de omineuze titel Namens de ander stelt de dichter onverwachte, vervreemdende vragen en geeft ze navenante adviezen. ‘Val met niemand samen’, stelt ze bijvoorbeeld aan het eind van het gedicht ‘Vreemden’. En in ‘Onderzoek’ voert ze een ontsporende enquête met als slotregels: ‘Stel uw ziekte is een dier. Bij gezondheid telt de vraag/ voor twee. Welk dier is uw ziekte bij voorkeur niet?/ Let op: de slechte dagen dienen meegeteld.// Bent u banger voor de uitslag dan voorheen?/ Schrijf op wie volgens u de vragen stelt.’

Hier klinkt onmiskenbaar een eigen stem. Een stem die in weerwil van de thematiek verzekerd lijkt. De toon is ook breder dan in Perquins eerste bundel Servetten halfstok (2007). Voor die bundel kreeg ze de Debuutprijs Het Liegend Konijn 2007, de Eline van Harenprijs 2008 en nominaties voor vrijwel alle mogelijke debuutprijzen. Critici waren zuiniger. De bundel miste samenhang, vonden sommigen, en niet alle gedichten waren trefzeker. Perquin lijkt die kritiek ter harte te hebben genomen. De bundel telt drie afdelingen waarin verwante verzen bijeen zijn gezet. Die verwantschap laat zich echter niet zonder ambiguïteit benoemen, ook al niet doordat de dichter zichzelf met vrijwel niets verwant voelt. Perquin stelt zich bij voorkeur op als een buitenstaander, een kantlijner die liefst namens de ‘ander’ spreekt.

Verbazingwekkend dan is het inlevingsvermogen in een gedicht als ‘Op wacht’:

’s Nachts hoort de vrouw van de oude cipier

de grendels verschuiven en slaapt ze niet meer.

Een man blijft een plek langer trouw dan hij

weet,

cellen raken tot in zijn diepste ademhalen

nagebouwd

en nu hij vlak bij haar ligt hoort ze hoe er in zijn

hoofd

gevangen mannen rondjes lopen.

Ze beluistert gejaagde gesprekken: breekvak,

muitnek, bloedschuld en schaduwbuit.

Ze houdt haar ogen open – soms

klimt er één over de muur en glijdt

tussen de lakens door zijn schedel uit.

Ester Naomi Perquin verdiende een paar jaar lang zelf haar brood als cipier. Maar ‘Op wacht’ is meer dan een gedicht van een ervaringsdeskundige. Zoals in vrijwel alle andere gedichten in Namens de ander is het ook hier demonie die de toon zet. De sleutel van die demonie is satanisch zachtmoedig omschreven: ‘Een man blijft een plek langer trouw dan hij weet.’

In Perquins universum wordt het leven door onbewusten geleid. Het langste gedicht van de bundel vertelt hoe er werd ‘opgebeld door een mevrouw die wilde weten/ of ik Richard was. Dit was nooit eerder voorgekomen.’ Drieënveertig regels lang verkent het vers vervolgens hoe het telefoongesprek verder zou kunnen of moeten verlopen, om troosteloos troostend te eindigen met: ‘Mevrouw, ik weet niet tot wie maar ik bid met u mee/ dat het iemand zal lukken.// Dat het iemand zal lukken om Richard te zijn.’ Want in alle onzekerheid is er ook hoop. ‘Wij zullen ons te weten komen,’ besluit het gedicht ‘Samenscholing’. En ook elders in de bundel klinken bezweringen van demonen. In ‘Wenken’ bijvoorbeeld, dat een regelrecht magische handleiding lijkt.

Laat als het donker wordt geen lichten aan. Het

moet

weten waar het is, hoe het bestaat in de vage

schemer

van de eigen naam, niet bij de doelloze gloed

van een beer of een maan aan de wand.

Luister wanneer het plompverloren praat. Zet

het

onder aan de keten – wacht dan tot het boven is.

Teken stappen na, zet streepjes op het behang,

trek het lichaam om zodra het overgaat.

Bewaar altijd één hand in gips.

Kortom, maak souvenirs van je geestenwereld: streepjes, omtrekken en afgietsels. Beelden van je onderbewustzijn. Bij herlezing wordt duidelijk dat dit wel eens de drijfveer van Perquins poëzie zou kunnen zijn. Blijvend vorm te geven aan de schaduwen in de kelder en tussen de zolderbalken. Schim na schim in beeld te brengen. Het welgekozen idioom en de gedragen toonzetting passen bij zo’n streven.

Het taalgebruik in Namens de ander is minder plechtstatig dan het in Servetten halfstok soms was. De innerlijke noodzaak van een enkel vers was in het debuut ook onduidelijk. Dan leek een gedicht soms moedwillig poëtisch. Ook op dit punt is Namens de ander een revanche. Met haar tweede bundel bewijst Perquin het gelijk van de jury’s die haar debuut bekroonden.