Zalm: kosten koningshuis in één begroting

Om de totale uitgaven voor het Koninklijk Huis inzichtelijker te maken, moeten deze worden samengevoegd in één begroting. Nu zijn de kosten, 39 miljoen euro, nog verdeeld over vijf verschillende ministeries, waardoor ze moeilijker zijn te traceren en te controleren.

Dit voorstel komt van een adviescommissie onder leiding van oud-minister Gerrit Zalm (Financiën, VVD). In het voorjaar bleek onder meer dat de onderhoudskosten van de Groene Draeck, het privéjacht van het Koninklijk Huis, op de begroting staan van het ministerie van Defensie. De vliegkosten die het Koninklijk Huis maakt staan zelfs bij meer dan één ministerie in de boeken. De Tweede Kamer uitte eerder kritiek op de onduidelijkheid van de uitgaven.

Als het kabinet de aanbevelingen van de werkgroep overneemt, zullen de uitgaven, opgenomen in hoofdstuk één van de Rijksbegroting, niet 9 maar 39 miljoen euro bedragen. Dat geeft volgens Zalm een realistischer beeld van de kosten die het Koninklijk Huis maakt. Zo is het mogelijk de kosten te vergelijken met de 46 miljoen euro die het Britse Koningshuis de Engelse belastingbetaler jaarlijks kost, of met de kosten van het Deense Koningshuis, dat jaarlijks zo’n 12,5 miljoen euro behoeft.

De commissie-Zalm adviseert ook om de begroting van de Oranjes hetzelfde te behandelen als alle andere begrotingen binnen de overheid. Dat betekent onder meer dat het Koninklijk Huis een begrotingsoverschrijding binnen zijn eigen budget moet oplossen, zoals ook ministeries doen.

Beveiligingskosten van het Koninklijk Huis komen niet in het eerste hoofdstuk. „Omdat het Koninklijk Huis niet gaat over zijn eigen beveiliging”, legde Zalm vanmorgen bij de presentatie van het advies uit. Deze kosten komen op de begroting van het ministerie van Binnenlandse Zaken.

Het ministerie van Volkshuisvesting blijft financieel verantwoordelijk voor de instandhouding van de paleizen waarvan het Koninklijk Huis gebruikmaakt. Het is te lastig te berekenen wat een realistische huurprijs is. „Bovendien gaat het dan om huur die de overheid aan zichzelf betaalt.” Een derde uitzondering betreft staatsbezoeken, waarvan de kosten voor rekening blijven van Buitenlandse Zaken.

Commentaar: pagina 7