Vrije pixels op het net

Beeldend kunstenaars hebben zich meester gemaakt van MySpace, de meest toegankelijke en visueel meest vrije netwerksite. „De lat ligt niet minder hoog, hij ligt ergens anders.”

’Mijn naam is Charles Thomas Close. Okay, mijn leven is inderdaad een rollercoaster geweest van rare gebeurtenissen. Daarom dacht ik dat het handig zou zijn om een stukje over mezelf te schrijven.

„1940 is het jaar dat ik ben geboren. Ik was een groot en onhandig kind en niet erg atletisch gebouwd. Omdat ik dyslectisch ben, dacht iedereen dat ik dom en lui was. De universiteit, zeiden ze, kon ik wel schudden. Ik deed niet aan sport, omdat ik mijn vriendjes niet bij kon houden. We verhuisden om de haverklap. Mijn vader, die metaalbewerker, loodgieter en uitvinder-ter-plekke was, had een slechte gezondheid en was altijd op zoek naar overheidsbaantjes met goede ziektekostenverzekeringen.

„In 1951 werd ik elf jaar en veranderde mijn leven in een pure hel. Mijn vader stierf. Mijn moeder – een pianiste die in de Grote Depressie haar concertambities had opgegeven – overleed aan borstkanker. We raakten ons huis kwijt vanwege de ziekenhuisrekeningen. Mijn oma kreeg de ziekte van Parkinson en ik moest een jaar in bed blijven vanwege een nare infectie aan mijn nieren. Maar er was één ding dat me op de been hield, ondanks alles. Dat was kunst.”

Zo begint de profielpagina van de hyperrealistische portretschilder Chuck Close (1940) op de sociale netwerksite MySpace. Close, die vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw naam maakte met grote, ultra-gedetailleerde portretten van zichzelf, vrienden en familie, schrijft openhartig verder. Hij wijdt uit over de wijze waarop hij in 1962 de in de kunstwereld dominerende abstractie de rug toekeerde en zijn eigen stijl vond door fotorealistisch te schilderen. Hij beschrijft hoe wanhopig hij zich een weg terugvocht naar de schilderkunst, toen hij in 1988 vanaf zijn nek verlamd raakte. Hij vertelt hoeveel geld hij als rolstoelkunstenaar per jaar verdient (tussen de 100.000 en 125.000 dollar), wie zijn helden zijn (zijn moeder), wie hij graag op MySpace zou willen ontmoeten (ambitieuze kunstenaars), hij laat zien hoe zijn werk eruitziet en legt aan de hand van voorbeelden uit hoe hij schildert.

Op MySpace doet Chuck Close zich voor als een goede vriend. Hij is vriendelijk, open, staat altijd voor je klaar, heeft een vurig verlangen om kunst te maken en uit te dragen hoe die kunst tot stand komt.

Ik stuur Chuck Close een email, waarin ik hem vraag waarom hij zich op www.myspace.com zo persoonlijk uitlaat. Waarom hij op zijn eigen website www.chuckclose.coe.uh.edu en op Facebook juist zo koel en zakelijk is. En waarom er op zijn profiel maar zo weinig vrienden staan: slechts drie. Ik krijg geen antwoord.

Een paar dagen voordat ik het profiel

van Chuck Close bekijk, ontmoet ik de Duitse kunstenaar Andreas Templin (1975). Templin woont in Berlijn, maar werkt waar het hem uitkomt – Madrid, Amsterdam, Sjanghai. Hij is geboeid door het fenomeen van de ‘spektakelmaatschappij’, een uitdrukking gemunt door de Franse situationist Guy Debord. Templins performance-achtige activiteiten komen in de ‘schijnwereld’ van de openbare ruimte tot stand, op straathoeken in Madrid, op een holle weg in Brandenburg, maar ook op MySpace, vertelt hij. Templin attendeert me erop dat veel collega-kunstenaars MySpace als podium gebruiken.

Dat verbaast me. MySpace is in 2003 opgericht als een specifiek op muzikanten en muziekliefhebbers gericht social network. Bandjes pluggen er hun demo’s, je kunt er makkelijk concertinformatie vinden over willekeurig welk obscuur bandje waar ook ter wereld, en er is héél veel gratis muziek te beluisteren. Maar een platform voor beeldende kunst?

Volstrekt logisch, zegt Templin. „Op Myspace gaat kunst over speelsheid, niet over academische normen of een elite die bepaalt wat wel en niet kan. Ik gebruik Myspace omdat ik er makkelijk met een heleboel instellingen en collega-kunstenaars kan communiceren. Omdat er zoveel lollige, popculturele referenties in zitten. Maar ook omdat het spektakel van de schijn, van de zelfverheerlijking er zo groot is. Ik kan er onophoudelijk gedaanten aannemen en weer van me afstoten als ik ze zat ben.”

De afgelopen twee jaar heeft MySpace zich ontwikkeld tot een van de populairste social networks wereldwijd. Volgens het tijdschrift voor nieuwe media Wired is het aantal gebruikers met duizelingwekkende sprongen gestegen: van 20 miljoen in 2005 tot 225 miljoen in april 2008. Ook andere sociale media als Flickr, Facebook en Youtube groeien razend snel. Bevatte de foto-netwerksite Flickr in 2007 nog ‘slechts’ 600 miljoen beelden, begin 2008 was dat aantal al verdubbeld tot 1,2 miljard beelden. Facebook heeft 1,4 miljoen foto-uploads per dag. Het aantal gebruikers groeit met 550 procent per jaar.

Misschien komt het doordat het ‘Web 2.0’ – zoals sociale netwerk-sites ook wel heten – nog relatief nieuw is, dat onderzoeken zich vooral toespitsen op demografische gegevens, psychologische factoren, aantal uren per dag dat er op sociale media wordt rondgehangen en op bijdragen van vrienden wordt gereageerd. Naar mijn weten is er nog geen gericht onderzoek gedaan naar de artistieke kwaliteit van de inhoud op die sites – ondanks de gigantische input van beelden, filmpjes, foto’s, grafische iconen, muziek en tekst.

Dat heeft de kritiek niet weerhouden. Sociale netwerken zouden oppervlakkigheid in de hand werken, weinig meer bieden dan ijdele prietpraat en loze verplaatsing van pixels. De Amerikaanse kunsttheoreticus Hal Forster sprak vijf jaar geleden zijn afschuw al uit over wat hij de groeiende cultus van ‘discursivity and sociability’ noemde. Het nastreven van ‘happy interactivity’ was volgens Forster naïef en weinig zinvol, omdat het praten doel op zichzelf was geworden. Ook de Franse cineast Jean-Luc Godard toonde zich sceptisch toen hij in 2007 werd onderscheiden met de Europese prijs voor de film. In een groot interview met het Duitse weekblad Die Zeit antwoordde Godard op de vraag wat hij vond van de kwaliteit van nieuwe media: ‘Ik probeer bij te blijven. Maar de mensen zetten films op internet om aan te tonen dat ze bestáán; het zijn geen films meer die bedoeld zijn om naar te kijken.’ Zelfs een internet-theoreticus en activist als de Nederlandse Geert Lovink stelde in de vorig jaar verschenen bundel Video Vortex – Responses to Youtube dat er steeds meer van hetzelfde wordt aangeboden op het net en dat degene die diepte zoekt simpelweg op de verkeerde plek is.

Toch is die ‘diepte’ nu net wat MySpace,

in al zijn beweeglijkheid en toegankelijkheid, kunstenaars biedt. Met behulp van programmaatjes als www.whateverlife.com of de layout-generator van MySpace zelf kun je vrij eenvoudig een extravagant profiel maken. Bovendien kunnen je vrienden er advertenties, foto’s en filmpjes op achterlaten, die soms kunstwerkjes op zichzelf zijn.

De Nederlandse kunstenaar Aukje Dekker (1983), die aan de prestigieuze Central Saint Martins School of Art and Design in Londen studeert, maakte dankbaar gebruik van de visuele mogelijkheden van MySpace. In Nederland speelde ze in een bandje. „Met name voor die band hebben we erg ons best gedaan met ons profiel op MySpace”, zegt ze. „Het is namelijk heel leuk om dingen te maken waarover je als zelfstandig kunstenaar twijfelt of ze wel goed genoeg zijn. Op MySpace konden we een soort ongeremde creativiteit uiten en die aan mensen laten zien zonder dat daar nu meteen het etiket “kunst” op werd geplakt. De eisen zijn niet minder hoog op MySpace, maar gewoon anders.”

Misschien is dat ‘anders’ wel waarnaar ook een wereldberoemde kunstenaar als Jeff Wall (1946) op zoek is. De Canadese fotograaf maakt foto’s die niet kloppen. Een schaduw valt net een verkeerde kant op. Twee mensen lopen op bizarre wijze langs elkaar heen. Melk waait uit een kartonnen beker omhoog. Alles in de transparente fotoboxen van Wall is gemanipuleerd – of we nu naar een grasveld kijken, een stilleven met een stuk zeep erbij, een voorbijganger op straat.

Op zijn profiel van MySpace gebruikt Wall een van zijn beroemdste foto’s als eindeloos repeterende achtergrond: Insomnia uit 1994 is een constructie van een man die verkrampt onder een tafel in een keuken ligt. In knalroze contrasterende tekstblokken legt Wall uit wie hij is, wat hij doet, hoeveel hij verdient (meer dan 300.000 dollar), wie hij bewondert (Piet Mondriaan, Georgia O’Keeffe, Claes Oldenburg, Ghandi, Christus) en – in precieze blogs – waar zijn werk over gaat. Ook voegt hij een fotocompilatie toe. En die compilatie is – voor Jeff Walls doen – buitengewoon gewoon.

Er verschijnt een bloeiende amaryllis in beeld. De zon over Central Park. Het blad van een reuzenvaren waar het licht doorheen valt. Een regenboog boven een verlaten snelweg. Cactussen in de woestijn. Twee kinderen spelend op het strand. Op MySpace laat Wall, zo lijkt het, alle reserves varen. Constructies gaan overboord. Over de vraag of een beeld kunst is of niet, ligt niemand wakker. Hier is Wall romanticus pur sang, liefhebber van sublieme vergezichten. Of het bloemen zijn, zand scheppende kinderen, stekelige cactussen of de kroon van een sequoia – de wonderen van de natuur moeten worden vastgelegd. Ook een fotograaf als Wall wil wel eens gewoon afdrukken als hij iets ziet wat betoverend mooi is.

Twee weken geleden plofte het nieuwste nummer van Metropolis M op de deurmat, tijdschrift over hedendaagse kunst. In dit nummer staan een paar artikelen gebundeld over het onderwerp ‘shareware’ – het fenomeen dat kunstenaars samenwerkingsverbanden aangaan, collectief kunst maken zonder zich om zoiets als auteurschap te bekommeren. Juist deze ‘shareware’ – zo schrijft Domeniek Ruyters – is gebaat bij het internet.

Shareware is ‘het product van een samenleving waarin de netwerkgedachte op allerlei niveaus doorgang vindt,’ aldus Ruyters. Daartoe worden ‘steeds weer nieuwe zones van communicatie aangelegd die eigen vormen van distributie en productie vereisen.’

Ruyters noemt MySpace niet, en dat is jammer. Want vooral MySpace is zo’n ‘nieuwe zone van communicatie, productie en distributie’. Er is geen netwerksite zo compleet en visueel veelvormig als MySpace.

Het beste blijkt dat uit de profielen

van kunstenaars die kunstwerken op zichzelf zijn. Dat van de Italiaanse kunstenaar Maurizio Cattelan (1960) bijvoorbeeld. Op een gitzwarte achtergrond duiken uitsluitend beelden op, van Cattelan zelf maar vooral van zijn vrienden: een spookachtig oog dat in het donker knippert, een man rollend op zijn rug van het lachen. Alles wordt begeleid door snerpende saxofoonmuziek. Er zijn géén teksten. De gebruiker moet met de muis ‘blind’ op de beelden klikken en pas dan gaat de zaak leven. Wie van Cattelan houdt, zal ook van zijn vrienden houden – is de gedachte. Wie Cattelans werk wil zien, zal ook dat van zijn vrienden moeten zien.

Een ander goed voorbeeld van een MySpace-profiel, waarachter eigenlijk een hele groep schuilt gaat, is dat van de Londense graffiti-kunstenaar Banksy. Hij dook eind jaren negentig op in het straatbeeld van Londen. Met zijn op muren gespoten sjablonen van dieren en mensen stak hij de draak met kapitalisme, commercie, de kunst in musea, armoe en de oorlogszucht van de regering Blair. Maar vooral zijn acties maakten hem wereldberoemd.

In 2006 verwisselde Banksy in Parijs stiekem vijfhonderd hoesjes van de nieuwe cd van Paris Hilton met hoesjes vol kritiek op het verschijnsel Hilton. Een jaar eerder trok hij naar de Gaza-strook om de Palestijnse muur met graffiti te bespuiten. Hij ‘knipte’ een gat in de muur, liet een meisje aan een tros ballonnen ‘opstijgen’ en spoot een ontsnappingstrap op het beton. Alles ademde vrijheid, durf en een grote speelsheid van geest uit.

Banksy – zo is goed te zien op zijn profiel op MySpace – opereert niet alleen. Er is altijd een ‘organisatie’ achter de schermen werkzaam, blijkt op filmpjes en foto’s die Banksy’s acties vastleggen. En dat is een meerwaarde: Banksy’s profiel gaat niet over het kunstwerk als af, verkoopbaar product, maar vooral over het kunstwerk als activistisch medium, als een dynamisch, strategisch hulpmiddel om verandering tot stand te brengen. Daarom dat er ook flink wordt gediscussieerd op het profiel. Staat er een tentoonstelling in New York aangekondigd, dan is die ‘niet-geautoriseerd en waarschijnlijk niet de moeite van het bezoeken waard’. En ook de vrienden van Banksy (37.541 op het moment) roeren zich.

Surrealistische collages, grungy flyers, filmpjes en bewegende foto’s maken van Banksy’s profielpagina een haast levende, ademende graffiti-muur, waar alles voortdurend verschijnt en verdwijnt. Het is alsof een klas vol creatievelingen zich eromheen verdringt. Met z’n allen sloven ze zich uit om het mooiste, beste, grappigste en meest provocatieve beeld te maken. En dat op de oorverdovende, niet-aflatende beat van Tribal Underground – gratis te downloaden, natuurlijk.