Verzamelaars

De crisis heeft geen vat op de geest van de verzamelaar en evenmin op zijn portemonnee. De 733 stukken uit de erfenis van Yves Saint Laurent en Pierre Bergé zijn op de veiling voor verstommende bedragen verkocht. Een Matisse voor 36 miljoen euro, een Mondriaan voor 21 miljoen, een Brancusi voor 29 miljoen. Een 1200 kunstliefhebbers waren naar het Grand Palais gekomen om een meesterwerk te kopen. Wat een schouwspel! Ik hoop dat er een video van gemaakt is, een uitvoerige en nauwkeurige documentaire, met close-ups van de bieders, hun oogopslag, hun handen, hun gezicht de seconde nadat ze beseften dat ze het begeerde in hun bezit hadden.

Ik kan het begrijpen. De eerste keer dat het mij overkwam was toen ik als jongen van een jaar of acht, met mijn vader op bezoek bij D.G. van Beuningen, daar boven de schoorsteen de kleine Toren van Babel van Pieter Breughel de oude zag hangen. Het is geschilderd in 1563; in 1958 door de kinderen van de eigenaar met zijn hele collectie aan het Museum Boijmans geschonken. Vandaar dat het nu Boijmans Van Beuningen heet. Die Toren van Babel wilde ik mee naar huis nemen. Mijn vader legde me uit hoe oud en hoe onbetaalbaar dit schilderij was. Jammer, maar mijn liefde voor de Toren duurt voort.

Het volgende meesterwerk dat mijn begeerte wekte was een Mondriaan die bij Arthur Müller Lehning thuis aan de muur hing. Ergens in de jaren twintig had hij het van de schilder gekregen. Dat is ook een manier om kunst te verwerven: bevriend zijn met een kunstenaar die dan nog niet beroemd is en die toevallig datgene maakt wat je zelf graag wilt hebben. Zo had ik graag een Franse impressionist willen kennen, het liefst Edouard Manet, om hem misschien zijn Déjeuner dans l’herbe af te troggelen. Of Vincent van Gogh, omdat ik graag zijn Café en Arles zou willen hebben. En van Johan Hendik van Mastenbroek wil ik nog altijd een Rotterdams havengezicht. Zo is het wel genoeg.

Iedere verzamelaar van wat dan ook, heeft in het verborgene of openlijk, een ongetemde bewustzijnsvernauwing. Filatelisten krijgen een waas voor hun ogen als ze over de zegel van Mauritius of over een zeldzame misdruk praten. Er zijn mensen die hun hart verloren hebben aan oude auto’s en bereid zijn, hun ziel en zaligheid te verkopen om een Bentley te bemachtigen, van het type dat in 1929 de 24 uur van Le Mans heeft gewonnen. Een prachtstuk. Maar wat moet je ermee doen?

Met kunst is het anders. De collectioneur van schilderijen is voortdurend bezig een culturele daad te verrichten. Hij conserveert; al verzamelend werkt hij ook voor het nageslacht. Daar is een mooi boek over: Iets wat zo veel kost, is alles waard, Verzamelaars van moderne kunst in Nederland, van Renée Steenbergen, verschenen in 2002. Daar staat alles in. Of je multimiljonair bent of een armoedzaaier, je bent verzamelaar of je bent het niet. Om een voorbeeld te noemen: ik verzamel tegenwoordig klein oudroest dat ik op straat vind. De moderne industrie produceert een overweldigende verscheidenheid aan bouten, moeren, schroeven, doppen, dingetjes die geen naam hebben. Allemaal gratis voor het oprapen. De aanblik van de gestaag groeiende collectie schenkt een diepe tevredenheid en over een eeuw blijkt de onschatbare archeologische waarde.