Vertrekken is pijnlijk, terugkeren niet minder

Tayyib Salih: Seizoen van de trek naar het Noorden. Vertaald door Kees Versteegh. Atlas, 171 blz. € 18,90

Vorige week overleed op 80-jarige leeftijd Tayyib Salih, de enige Soedanese schrijver die internationaal wist door te breken. Hij werd bekend door de roman Seizoen van de trek naar het noorden, die door de Arabische Literaire Academie in Damascus in 2001 uitgeroepen werd tot de belangrijkste Arabische roman van de vorige eeuw. De Nederlandse vertaling werd onlangs na drieëntwintig jaar heruitgegeven.

Salih vertelt het remigratieverhaal van een naamloze verteller die, na jaren poëzie gestudeerd te hebben in Engeland, terugkeert naar zijn Soedanese geboortedorp, waarvan de naam niet wordt vermeld. Het al even naamloze personage geniet; hij wordt wakker in zijn vertrouwde bed en hij bezoekt zijn lievelingsplek onder een hoge acacia. ‘Ik voelde mij niet langer een veertje dat meegenomen wordt door de wind.’

Ook al is hij blij, de trek naar Europa heeft hem veranderd. Zo vindt hij de vooringenomen opmerkingen en suggestieve vragen die hij tijdens de feestelijke ontvangst over Europa krijgt misplaatst: ‘Ze zeggen dat de vrouwen daar geen sluier dragen en in het openbaar met mannen dansen.’ en: ‘Is het waar dat mannen en vrouwen niet trouwen, maar met elkaar in zonde leven?’ Om niet op onbegrip te stuiten, geeft hij sociaal wenselijke antwoorden, maar eigenlijk wil hij zeggen: ‘Ze zijn bang voor het onbekende, net als wij.’

Eén persoon stelt geen vragen. Het is de mysterieuze Moestafa Sa’ied. Hij weet alles over het noorden, want hij studeerde economie in Engeland, gaf les aan de universiteit en publiceerde een aantal boeken. Maar niemand in het dorp die daarvan op de hoogte is, omdat de dorpsgemeenschap niet geïnteresseerd is in de grondslagen van de economie, maar alleen in een goed werkende waterpomp.

Salih formuleerde bijna veertig jaar geleden met Seizoen van de trek naar het noorden een literaire aanklacht tegen de beperkte vooruitzichten voor de intelligentsia in Soedan. De knappe koppen werden naar gerenommeerde buitenlandse universiteiten gestuurd, maar wie niet terugkeerde als ingenieur, landbouwkundige of arts had weinig aan zijn ‘uitstapje’.

Ook de anonieme verteller komt erachter dat zijn toewijding aan de literatuurwetenschap voor niets is geweest: als je een huis wilt bouwen, moet je weten dat je het leem nodig hebt waar tarwe in wordt gezaaid – je hebt niets aan een studie naar een obscure dichter.

Bijzonder aan het boek is dat het naamloze personage integratieproblemen krijgt bij terugkomst in Soedan, maar dat die van Moestafa in Europa de kop op steken. Hij kan niet met de verleidingen van het Westen omgaan: alcohol en meisjes. ‘Mijn slaapkamer was een poel van verdriet, de kiem van een besmettelijke ziekte.’ De ex-vriendinnetjes worden ziek, waarna ze compleet doordraaien en één voor één zelfmoord plegen. De laatste relatie die Moestafa aangaat is met Jean Winifred Morris, hij doodt haar tijdens een vrijpartij. Na een gevangenisstraf trekt hij zich terug in het kleine naamloze dorp.

Noch Moestafa’s achtergrond, noch zijn begaafdheid is in staat de Engelse samenleving het hoofd te bieden. In Soedan blijven de herinneringen aan Engeland en Jean hem kwellen. Hij loopt uiteindelijk de rivier in en lost op.

Hij en de verteller staan symbool voor de tragiek van de migratie. Salih voorzag dat men in de toekomst eerder zou kiezen voor het moderne Westen dan voor het eenvoudige Afrikaanse plattelandsleven, maar waarschuwt voor de pijnlijke en soms destructieve kanten van zowel vertrekken als terugkomen. Dat maakt Seizoen van de trek naar het noorden een donker, somber verhaal, maar een waar de vonken vanaf spatten.