Toen ik vijf was

Herinneren volwassenen zich iets van toen ze vijf waren? Bianca Stigter herinnert zich haar lievelingsjurk.

Toen ik vijf was, had ik een lievelingsjurk. Het was een jurk van dun bruin ribfluweel. Hij had een rond halsje en kwam tot halverwege mijn dijen. Dat was langer dan de meeste jurken die ik had – het waren de jaren zeventig. Het mooiste van de jurk was dat er aan de zoom allemaal kleine bruine balletjes hingen, gemaakt van een zachte stof. Ook aan de mouwen hing een franje van donsballetjes. Als ik liep, dansten ze. In die jurk was ik nooit alleen. De jurk werd na verloop van tijd ook steeds minder eenzaam. Hij kreeg gezelschap van een restje pindakaas, een spatje modder, een vleugje krijt en een streepje stift. Allemaal ‘tjes’ weliswaar, maar samen genoeg om de jurk vies te maken.

Toen werd het zondag. Op zondag moesten wij naar een verjaardag. Het was geen partijtje, want er was geen kind jarig. De jarige behoorde niet tot mijn favoriete grote mensen. Er was niets lievelings aan. Misschien dat ik daarom zo graag mijn lievelingsjurk aan wilde. En misschien dat dat daarom wel niet mocht.

Nee, zei mijn moeder. Die jurk is vies. Doe een andere aan. En ze somde al mijn jurken op, en toen al mijn rokjes en topjes, en toen al mijn broeken en truien en hemden. Doe dan die blauwe jurk aan. Of dat overgooiertje. Maar nee, ik zei nee nee nee. Ik wilde alleen de bruine ribfluwelen jurk met de balletjes aan. Mijn balletjes.

Het werd laat. Om nog op tijd op de verjaardag te zijn, moesten we nu echt wel eens gaan. Maar ik wilde niet gaan. Ik stond in de badkamer te huilen. Toe nou, zei mijn moeder. Toe nou, zei mijn vader. Doe niet zo flauw, zei mijn zus. En toen deed ik de deur op slot.

Het slot was een zilverkleurig haakje dat in de muur zat. Op de deur zat een klein oogje waar dat haakje in paste. Het was volgens mij de eerste keer dat het op slot zat. In ieder geval de eerste keer dat ik een deur op slot had gedaan. Triomfantelijk schudde ik mijn balletjes. Mijn vader en mijn moeder probeerden de deur open te maken. Maar het slot deed zijn werk. De deur ging maar een heel klein stukje open.

Toe nou, riepen mijn vader en moeder door de deur. Ze probeerden hun hoofd er door te steken, maar dat ging niet. De deur gaf maar een kiertje. Ze liepen weg. Ze kwamen terug. Toe nou. Je verpest het voor iedereen. Maar ik zat in de badkamer op de grond en speelde met mijn balletjes en vond mezelf reuze slim. Tot ik een groot en glimmend gevaarte langs de deur zag komen. Mijn ouders waren toch slimmer dan ik. Mijn vader stak het broodmes door de kier, bewoog het omhoog en wipte het haakje uit het oogje. Deur open.

Ik begreep dat ik verloren had. Ik ging mee naar de verjaardag. Maar ik mocht de jurk aanhouden, dus ik had toch ook gewonnen. De jarige mevrouw lachte toen ze me zag. Wat heb jij een mooie jurk aan, zei ze. Hij was van haar dochter geweest.