Sporen

Mijn grootvader had een boot gekocht om mee te gaan vissen. Ter voorbereiding op de visvangst vingen we wormen die mijn opa in een zijvakje van zijn vissershoed propte. We poetsten zijn vishengels en oefenden op zijn balkon hoe we aan het water zouden gaan zitten. Wanneer ik de vissershoed opzet, is de herinnering aan mijn grootvader bijna tastbaar. De hoed en de herinnering eraan zijn niet meer van elkaar te onderscheiden. Maar de wormen in het zijvakje van de hoed zijn meer dan bezielde objecten. Ze kruipen in mijn hoofd wanneer ik het gezicht van mijn grootvader voor de geest probeer te halen. Ze kronkelen achter mijn ogen terwijl zijn gezicht me ontglipt.

„Spelen herinneringen zich af in het heden of in het verleden?”, vraagt Meret Oppenheim in de film The Lunch in Fur/ Le Dejeuner en Fourrure van Ursula Mayer (Oostenrijk, 1970). Merit Oppenheim, Dora Maar en Josephine Baker, kopstukken van het surrealisme, ontmoeten elkaar als oude vrouwen. Ze spreken soms met elkaar en lachen vriendschappelijk. Maar ze praten vooral tegen zichzelf, of tegen het verleden.

Het herbeleven van het verleden gebeurt natuurlijk in het nu, zodra ik de hoed van mijn opa opzet, zou ik Oppenheim kunnen antwoorden. Maar waar zijn mijn gedachten wanneer ik mijn opa in de aarde zie wroeten? Oppenheims vraag is een ontwijkend antwoord op wat haar vriendin Dora Maar wil weten: „Kunnen we slechts waarnemen wat al voorbij is?” Maar staat te kijken naar het portret dat Picasso van haar maakte. Haar gezicht is gespleten: het ene oog kijkt de toeschouwer direct aan en het andere staart in een verte, buiten het schilderij, in een andere tijd.

Ik kreeg het benauwd toen ik bij galerie Juliette Jongma naar de film zat te kijken. De sequentie van terugkerende beelden, zinnen die soms door de een, dan weer door de ander worden uitgesproken, druisen in tegen de manier waarop ik gewend ben een verhaal, een film, maar ook mijn eigen leven tot me te nemen. Mayer peutert de vaste grond onder mijn voeten vandaan en neemt me mee in een wereld die ik hoop nooit in werkelijkheid te betreden.

De film heeft de ijzige kwaliteit van een nachtmerrie waarin aan de oppervlakte alles uiterst kalm verloopt. De mooie vrouwen bewegen zich gracieus, en in de zeventiger jaren, modernistische villa waarin ze elkaar ontmoeten is gestrooid met hoogtepunten uit het Surrealisme, zoals het object Le Dejeuner en Fourrure, de kop en schotel die Oppenheim bedekte met de vacht van een gazelle, en poses van de actrices die zijn ontleend aan foto’s van Man Ray.

„Waarom moet er altijd een spoor achterblijven?” vraagt Josephine Baker.

„Om continuïteit aan ons leven te geven”, zegt Dora Maar.

Een continuïteit die aan de film, maar ook aan het leven ontbreekt. Terwijl ik noch mijn grootvader ooit met een hengel naar de boot is gegaan, spartelen de vissen die we zouden vangen rond in mijn geheugen.

Ik weet nog steeds niet of herinneringen zich in het verleden of in het heden afspelen. Er komen mensen voorbij die deel uitmaken van het verleden zodra ik ze heb gezien. Lopen ze de geschiedenis in of gaan ze een toekomst tegemoet?

Ik kijk mijn grootvader aan. Zijn gezicht is haarscherp. We halen de schouders op en werpen een hengel uit vanaf het balkon.